Heel wat mensen vroegen naar de resultaten van dit doctoraat. Bij deze de samenvatting uit het proefschrift:
Hoewel Latijn al eeuwenlang geen gangbaar communicatiemiddel meer is, blijft de taal sterk aanwezig in het Europese secundair onderwijs. De aanhoudende aanwezigheid van deze dode taal in de hedendaagse curricula wordt echter steeds vaker bekritiseerd. Om de waarde van het vak te beargumenteren, stellen classici en beleidsmakers regelmatig dat Latijn studeren unieke talige en cognitieve voordelen zou opleveren. Dergelijke beweringen zijn doorgaans gebaseerd op onderzoek dat aantoont dat Latijn studeren leidt tot verbeterde taal en cognitieve vaardigheden (bijvoorbeeld bredere woordenschat, hogere IQ-scores, sterkere wiskundige vaardigheden). Het merendeel van deze studies is echter meer dan dertig jaar oud, methodologisch gebrekkig en theoretisch weinig onderbouwd. Bovendien baseren veel studies zich op correlationele data, die niet geschikt zijn om causale beweringen te maken. Ten slotte is preselectiviteit, het idee dat leerlingen die Latijn volgen al bij de aanvang van het secundair onderwijs een gunstigere uitgangspositie hebben dan hun niet-Latijnse medeleerlingen, nog niet uitgesloten als alternatieve verklaring voor de voordelen die met Latijnonderwijs worden geassocieerd. Met andere woorden, het blijft mogelijk dat deveronderstelde voordelen van Latijn studeren louter een weerspiegeling zijn van reeds bestaande verschillen tussen leerlingen, en dus niet het directe gevolg van Latijnonderwijs.
Het overkoepelende doel van dit proefschrift was om kritisch te onderzoeken of Latijn studeren daadwerkelijk leidt tot unieke taal- en cognitieve voordelen die niet via andere studierichtingen in het algemeen secundair onderwijs verworven kunnen worden. Vanuit de theorie van cognitieve transfer testten we of Latijnonderwijs leidt tot near transfer (d.w.z. verbeterde taalvaardigheden) en/of far transfer (d.w.z. verbeteringen in bredere cognitieve vaardigheden). We voerden drie grootschalige empirische studies uit om onze onderzoeksvragen te beantwoorden. In de eerste studie analyseerden we gegevens van 1,898 eerstejaarsstudenten uit twaalf verschillende universitaire opleidingen (zowel STEM als niet-STEM) om de relatie tussen Latijn studeren in het secundair onderwijs en studieprestaties in het academisch hoger onderwijs te onderzoeken. We gingen na of Latinisten beter presteerden dan hun niet-Latijnse leeftijdsgenoten en of Latijn een voorspeller is van academische studieprestaties. In een tweede, cross-sectionele studie vergeleken we de taal- en cognitieve vaardigheden van 1,731 leerlingen (zowel Latijn als niet-Latijn) uit het eerste, tweede en laatste jaar van het secundair onderwijs. Dit design stelde ons in staat om te identificeren in welke domeinen Latinisten beter presteren, om te bepalen wanneer deze verschillen ontstaan en om hun evolutie doorheen het secundair onderwijs te volgen. In een derde, longitudinale studie volgden we de cognitieve ontwikkeling van 352 Latijnse en niet-Latijnse leerlingen in het secundair onderwijs gedurende drie jaar. Door beide groepen aan het begin van het onderzoek te matchen op verschillende belangrijke variabelen, konden we de effecten van Latijnonderwijs isoleren van reeds bestaande individuele verschillen. Zo konden we onderzoeken of de voordelen die geassocieerd worden met het studeren van Latijn bepaald worden door preselectie, cognitieve transfer, of een combinatie van beide.
In alle drie de studies presteerden Latinisten consequent beter dan hun niet-Latijnse medeleerlingen: ze behaalden hogere scores in het hoger onderwijs en scoorden beter op verschillende aspecten van taalcompetentie en cognitie in het secundair onderwijs. Deze verschillen waren echter al aanwezig bij de start van het secundair onderwijs en werden over het algemeen niet op een unieke manier versterkt door Latijnonderwijs. Een klein uniek effect was merkbaar op Nederlandse woordenschat, maar dit was niet zeer statistisch betrouwbaar. Onze bevindingen tonen aan dat Latinisten meetbare prestatie voordelen vertonen in vergelijking met hun niet-Latijnse medeleerlingen, maar dat die voordelen grotendeels toe te schrijven zijn aan preselectiviteitseffecten, eerder dan aan daadwerkelijke cognitieve transfer.
Dit impliceert tevens ook wel dat Latijn ondanks de cognitieve voorsprong er evengoed in slaagt om nog dezelfde winst te creëren als andere richtingen voor andere leerlingen. Al deze cognitieve effecten bestaan los van de intrinsieke socio-culturele waarde van het onderwijsprogramma.
Wie meer wil lezen kan terecht bij de aparte studies in het proefschrift zelf:

