Mijn mening over lerarenpensioenen

1. Dat de federale regering (eindelijk) pensioenmaatregelen neemt is nodig en terecht

2. Bij besparingen vindt élke sector dat ze een uitzondering zijn. Dat maakt besparingen sowieso lastig. Dit betekent echter niet dat er geen terechte argumenten zijn.

3. Uiteraard is het ambtenarenapparaat in ons land te groot en duur, maar kerntaak onderwijs is niet de eerste sector die je best viseert. Daar bestaan hamstercoördinatoren voor. Onderwijs is niet enkel een kerntaak maar heeft van alle overheidsinvesteringen de hoogste return on investment.

4. In de media zet men lerarenpensioenen af tegen gemiddelde pensioenen in de populatie. Dat is onzin. Iets minder dan de helft van de bevolking heeft een Bachelor diploma, 1 op 7 een universitair diploma. Leraren zijn dus hoogopgeleid. Hun pensioen moet je dus met de top 45% of 15% vergelijken. Extralegale voordelen en tweede pensioenpijler zijn wel degelijk courant in die groepen; bij leraren onbestaand

5. Daarbovenop is er wel degelijk een loonhandicap voor leraren, zoals in bijna alle landen. In het lager onderwijs begint men 35% lager dan vergelijkbare profielen, na 15j is dat 9% lager, op het einde 15% meer. Over de hele loopbaan is er loonhandicap van 18%. Kleuteronderwijs vergelijkbaar.

6. In de eerste helft van secundair onderwijs idem, zelfde handicap. Voor later secundair onderwijs (vaker Masters/licentiaten) dezelfde evolutie maar over de hele loopbaan amper loonhandicap (slechts 1%).

7. Voor hoger onderwijs (nog harder getroffen in pensioenen) is geen recente internationale vergelijking beschikbaar. In 2009 was de loonhandicap volgens Deloitte op bestelling van de VLIR ongeveer 30%. Het rapport staat niet meer online.

8. Economische wetmatigheden gelden in arbeidsmarkt. Masters wiskunde kunnen voor de klas staan, maar ook bij KBC gaan werken. Betere verloning levert sterkere profielen. Betere lerarensalarissen en slimmere leraren leveren betere leerprestaties. De problemen met leerprestaties zijn gekend. De VL regering voert goed beleid terzake, maar deze inspanningen dreigen teniet gedaan te worden door een negatieve evolutie in de kwaliteit van het korps. We kunnen ons dit nu niet permitteren.

9. Er is een fixatie op gelijkschakeling pensioensystemen. Dit staat haaks op moderne HR, dat individueel differentieert. Wat is het probleem als mensen zekerheid van hoger pensioen verkiezen boven marktconform salaris. Iedereen kan dan kiezen. Als men politiek toch gelijkheid wil, dan moet men systemen harmoniseren, maar dan wel op àlle parameters. Ook op extralegale voordelen en 2e pijler. Hier speelt ook een zeer storende tendens in de bevolking om enkel selectieve (pensioen)voordelen van anderen onrechtvaardig te vinden.

10. Simulaties tonen pensioenverliezen van honderden euro’s per maand, duizenden euro’s over een jaar, tienduizenden over een leven. Dat is wel héél véél. In het hoger onderwijs impact tot 30%. Kleinere ingrepen (<10%) zijn verstandiger, duurzamer beleid. Het is ongezien dat men in ons land dergelijke grote impact veroorzaakt bij specifieke groepen. Dat dergelijke ongeziene interventie dan gericht is notabene op onderwijs, is in een kenniseconomie hoogst twijfelachtig. Men kan snel begrotingswinst realiseren, maar het LT effect is desastreus.

11. De pensioenhervorming is gericht op langer werken. Dat moet het doel zijn. Zeker bij een lerarentekort. 61% van de ambtenaren is op 62 al met pensioen. Dat is onaanvaardbaar. Om motiverend te zijn zou het verkiesbaar zijn dat wie vroeger dan 67 stopt nog minder overhoudt dan nu voorzien is (strengere malus), maar dat wie wél de volledige rit doet géén pensioen verliest. De return voor de overheid van een volledige loopbaan is veel gunstiger dan pensioen verminderen van wie wél de volledige rit doet. Er moet voldoende incentive blijven voor die laatste. 20% pensioen inleveren is geen incentive. Dit gaat ook over mensen die wel degelijk wérken.

12. Het contrast met andere domeinen is ook groot. In een tijd waar het aantal inactieven met 50% toeneemt op een paar jaar tijd, en waar bijvoorbeeld bij de langdurige zieken een steekproef toonde dat 83%(!) onterecht tot pensioen ziek verklaard is, is dit toch ook wel heel zuur bij mensen die wél werken.

13. De voordelige tantièmes in onderwijs zijn onverdedigbaar en moeten afgeschaft worden. Als de loonhandicap blijft, maar het pensioen ook, is het logisch dat ook achterhaalde statuten zoals de vaste benoeming verdwijnen. Als onderwijs marktconform wil zijn met de private sector moet er sowieso flexibeler personeelsbeleid komen, met ook meer prestatiegebaseerde evaluatie en makkelijker ontslag. Goeie leraren verdienen te weinig, maar slechte veel te veel. Ook andere ‘innovaties’ zoals de 38-uren week zouden evident moeten zijn.

Nog een aanvulling:

14. Middelen voor behoud pensioen kunnen (enkel) voor het leerplichtonderwijs gevonden worden bij verhoging van de productiviteit. Daar presteren leraren meer dan 10% minder lesuren de rest van Europa. Dat is een equivalent van bijna 20.000 leraren (5 keer het lerarentekort). Als dat Europees gemiddelde gehaald wordt (zonder uit te blinken) kan het pensioen behouden blijven. Dit vereist minder planlast (want leraren werken even hard als elders) en meer focus op de kerntaak, lesgeven. Merk ook op dat deze inefficiëntie bovenop die in personeel komt. Want die 11% minder les wordt gerealiseerd met 30% meer dan elders personeel per kind in het secundair (dit geldt niet voor lager en kleuter onderwijs). Het is bovendien absurd dat deze inefficiëntie. bestaat in het secundair, de enige sector waar er dus geen algemene loonhandicap is. Waar de loonhandicap het grootst is, en ook de pensioenbezuiniging het grootst, namelijk het hoger onderwijs, bedient elke voltijdse docent 45% méér studenten dan in de rest van Europe. Dus er wordt het hardst bezuinigd op pensioenen waar de loonhandicap het grootst is (30%) en de efficiënte het best. Dit is natuurlijk het grote nadeel om algemene maatregelen vanuit een ander beleidsdomein (pensioenen) los te laten op een grote sector op een ander bevoegdheidsdomein (onderwijs), die zeer grote verschillen en specificiteit kent, zonder dat dat domein betrokken wordt. Dit is geen goed bestuur.

15. Nu al duiken sluiproutes op waarbij leraren die hun maximumpensioen bereikt hebben gaan stoppen en aanvullend privaat pensioen gaan opbouwen. Dit gaat over de meest ondernemende en ervaren leraren. Er is dus een risico voor het lerarentekort.

16. Het ‘contractbreuk’ argument vind ik geen goed argument, omdat je zo nooit iets fundamenteel kunt hervormen, en omdat ook voor andere sectoren (beleggers, ondernemers) systemen vaak en ingrijpend veranderd worden, ook zaken die op LT gelden (aandelen familiebedrijven, liquiditatiereserves etc). Maar dat de onvoorspelbaarheid van de overheid, in al deze domeinen, negatieve effecten heeft is wel duidelijk. Bij leraren: op de aantrekkelijkheid van het beroep

Conclusie: onderwijspensioenen zijn heel goed, maar dat wordt overschat door niet met hoger opgeleiden te vergelijken. De loonhandicap is reëel, van kleuter en leerplicht (18%) tot hoger onderwijs (30%), behalve in het later secundair. Die komt bovenop de afwezigheid van 2e pijler en extralegale voordelen. Een regio die veroordeeld is om een kenniseconomie te zijn kan zich na 20 jaar dalende leerprestaties eigenlijk niet veroorloven om uitgerekend in onderwijs de meest verregaande besparingsinterventies te doen. Alternatieven zijn een hogere productiviteit (enkel in het secundair onderwijs), een strengere malus bij vroeger stoppen, een aanvullende 2e pijler door rijke kenniseconomie Vlaanderen dat een veel comfortabeler begroting heeft dan federaal, en afschaffen voordelige tantièmes en vaste benoeming.

Zie ook https://www.tijd.be/politiek-economie/belgie/vlaanderen/onderwijsstaking-als-dit-een-gouden-kooi-is-waarom-is-er-dan-een-lerarentekort/10637087.html

Comments are closed.

Post Navigation