In België neemt de Vlaamse regering het voortouw met een afdwingbaar verbod op gebruik van sociale media voor kinderen onder 13 jaar. De kans dat dat verbod iets zal uitmaken, is vrij klein, net als de noodzaak van zo’n verbod. Maar voor politici is de drang om in te grijpen in huishoudens nu eenmaal te machtig.
‘Bedankt dat je je bij de beweging hebt aangesloten’, postte de Franse president Emmanuel Macron enthousiast op X bij een bericht over het plan van de Griekse regering om toegang tot sociale media te verbieden voor jongeren tot 15 jaar. Frankrijk heeft vergevorderde plannen in dezelfde richting, net als overigens Denemarken en Spanje, dat er zelfs nog een jaartje bovenop doet. Het aangescherpte verbod op sociale media voor min-13-jarigen waar de Vlaamse regering mee uitpakt, komt dus bepaald niet uit de lucht vallen.
De steunbetuiging van Macron voor de Griekse plannen toont hoe belangrijk de president dit thema acht. Dat is, vanuit het standpunt van een bewindsman, zelfs begrijpelijk.
Schermen met een schermverbod is een aantrekkelijk politiek thema. Het is erg concreet en het speelt in op een vage paniek in vele middenklassengezinnen − een sleutelkiesgroep voor centrumpartijen. Het roept het beeld op van moedig verzet − een ‘beweging’, zowaar − tegenover almachtige technoreuzen, die ‘onze’ kinderen als rattenvangers meeslepen. In een tijd waarin bewindslui vooral met hun eigen machteloosheid worden geconfronteerd, loert met een socialemediaverbod voor kinderen plots een makkelijk succesje om de hoek.
Dat werkt besmettelijk en dus zijn in ons land de Vlaamse en federale regering in een wedloopje verzeild geraakt om als eerste met een eigen verbod te kunnen uitpakken. Communicatief heeft Vlaanderen het voortouw genomen, met de aankondiging van minister van Media Cieltje Van Achter (N-VA) dat ze de bestaande leeftijdsgrens ook effectief wil handhaven.
Dat leidde meteen tot frustratie bij de federale minister van Digitalisering, Vanessa Matz (Les Engagés), die van een gelijkaardig verbod het speerpunt van haar voorts onzichtbare beleid had gemaakt. Matz wil het verbod doorvoeren door gebruikers een verplichte identificatie op te leggen (via Itsme bijvoorbeeld); Van Achter wil de controleplicht bij de mediaplatformen zelf leggen. Terzijde mag worden opgemerkt dat België over de luxe van vier ministers beschikt die bevoegd zijn voor het mediagebruik van burgers.
Ontnuchterend
Relevanter dan dat wat zielige communautaire strovuur is de vraag of zo’n verbod ook een verschil maakt. Het korte antwoord op die vraag is: neen. Voorloper Australië levert het bewijs. De hele wereld keek toe hoe de Australische regering als eerste een verbod op sociale media oplegde voor tieners tot 16 jaar. Populaire platforms zoals Instagram, TikTok, Snapchat of Twitch moeten tieners weren, op straffe van boete. Miljoenen accounts gingen voor de bijl … maar enquêtes bij ouders leren dat de meeste jongeren via een omweggetje meteen weer met een nieuw profiel begonnen.
De meest logische conclusie uit die ontnuchterende evaluatie is dat een overheidsverbod niet de beste manier is om de gewoontes van kinderen in te tomen. Voor veel regeringen, zoals dus ook de Vlaamse, is het evenwel een aansporing om het verbod nog harder te proberen af te dwingen.
Mislukking ligt voor de hand. De reden is simpel: sociale media zijn zo diep verankerd in het leven van zeer vele tieners dat een theoretisch verbod hen niet zal tegenhouden.
Bewindslui weten dat zelf ook wel. Treffend is dat de Griekse premier Mitsotakis zijn verbodsplan bekend maakte … op Instagram en TikTok. Omdat hij beseft dat dat nu eenmaal de plek is waar jongelui samenkomen en nieuws oppikken. Er zit wel wat hypocriete tegenstrijdigheid tussen de vaststelling dat sociale media de beste plek zijn om met jongeren te communiceren en anderzijds het verlangen om die plek droog te leggen.
De belangrijkste kwestie in dit debat zou moeten zijn of het iets uitmaakt dat jongeren zich zo gulzig aan sociale media laven. Volgens de huidige stand van de wetenschap is het antwoord opnieuw, met enige nuance, neen. Wereldwijd onderzoek bevestigt dat frequent gebruik van digitale media de ontwikkeling van het brein niet aantast, zo stelde bijvoorbeeld cognitief psycholoog Wouter Duyck (UGent) al meermaals, met de data bij de hand.
Er is ook geen sluitend bewijs dat overvloedig gebruik van internet of sociale media het mentaal welzijn van jongeren aantast. Natuurlijk zijn er zorgwekkende gevallen van jongeren die zich slecht in hun vel voelen en zich onderdompelen in de digitale wereld. Maar voelen ze zich slecht omdat ze vaak op sociale media zitten, of zitten ze vaak op sociale media omdat ze zich slecht voelen? Alleszins, besluit Duyck, is het verband tussen internetgebruik en welzijn zwak.
Dat wil niet zeggen dat matiging een slecht idee is. Elke mogelijke enquête toont evenwel dat de overgrote meerderheid van 13-jarigen, hier en elders, sociale media gebruikt. Die realiteit is een beter uitgangspunt voor afspraken op gezinsniveau dan een algemeen verbod. Meestal lukt dat prima en krijgen jongeren de kans om ook de zegeningen van digitale netwerken te leren kennen: hechtere en meer vriendschapsbanden, toegang tot nieuws, technologische vaardigheid.
De vergelijking die de bekende Amerikaanse psycholoog Jonathan Haidt − gangmaker van de beweging voor een socialemediaverbod bij tieners − maakt tussen sociale media en tabak, gaat dan ook niet op. Sigaretten zijn vanaf de eerste trek ongezond en inherent verslavend, sociale media of telefoonschermen zijn dat niet. Een risico op verslaving aan internetgebruik bestaat, maar niets wat ouderlijk toezicht en goede afspraken niet zou moeten kunnen vermijden.
Digitale avondklok
Dat de theorieën van Haidt & co. er toch zoetjes ingaan bij burgers, politici en, toegegeven, een flink deel van de media, heeft ermee te maken dat ze inspelen op klassieke, ouderlijke angsten. Ouders zijn altijd bang geweest voor de impact van populaire fenomenen die jongeren introduceren en die ze zelf niet goed kennen. Dat was het lot van boeken, strips, popmuziek, computerspelletjes en nu dus van telefoons en sociale media. Morele paniek over bandeloze jeugd is van alle tijden.
Die morele paniek verklaart de politieke aantrekkelijkheid van zulke thema’s. Burgers voelen zich hulpeloos en politici begrijpen dat als cue om in actie te komen. Dat die actie weinig bijbrengt en eigenlijk niet nodig is, doet er weinig toe. Het beleid moet vooral ‘performatief’ zijn: het moet bewindslui in staat stellen om te tonen dat ze bezig zijn met ‘de’ zorgen van ‘de’ mensen.
Dadendrang op de kleine schaal van tienertelefoons versluiert de onmacht van politici tegenover de vele complexere, vaak supranationale uitdagingen van deze tijd. Ik heb dat eerder al weleens ‘micromoralisme’ genoemd: de toenemende politieke bevoogding over ons privéleven of opvoeding. Mede omdat de politiek in haar kerntaken op haar limieten stuit, groeit de neiging om uit te wijken naar wat wel nog controleerbaar is: de private verhoudingen tussen mensen.
Dat micromoralisme komt van twee kanten: vanuit de politiek, maar ook vanuit de burger, die de bevoogding over zichzelf afroept. Het verdwijnen van grotere sociale verbanden en toenemende risicoaversie doen burgers naar de overheid grijpen om ‘normen en waarden’ op te leggen. Politici gaan graag op die roep in.
Typerend is een verbod, in Zuid-Korea, voor tieners om tussen middernacht en 6 uur ‘s ochtends internet te gebruiken − een digitale avondklok, zeg maar. Dat kinderen op zo’n uur beter niet voor een scherm zitten, is nogal wiedes. Maar behoort het niet tot de essentiële verantwoordelijkheid van ouders om ervoor te zorgen dat de telefoon minstens uitgaat bij het slapengaan?
De partijen in de Vlaamse regering zijn het over weinig eens, maar wel over de neiging tot bevoogding. Het paternalistische micromanagement zit overal, zeker in het jongerenbeleid: in het onderwijs, in jeugdzorg of kinderopvang en nu dus ook in dit socialemediaverbod.
Voor N-VA gaat het over het vestigen van normen en waarden, voor Vooruit over de overtuiging dat de staat soms beter zorg kan dragen voor kinderen dan de ouders zelf, en cd&v zegt dan wel zich af te keren van zoveel betutteling, in de praktijk is de conservatieve controledrang groot. Vooruit en cd&v wilden zelfs een socialemediaverbod tot 15 of 16 jaar.
Nuance is geboden. Er loopt een dun lijntje tussen gezondheidspreventie en bevoogding. Soms ligt het risico op grote gezondheidsschade onomstotelijk vast. Dan is het, vanuit preventieperspectief, wenselijk dat minderjarigen van zulke producten worden weggehouden. Dat is een sterk argument om voor alcohol, tabak, vapesmaakjes en andere drugs een leeftijdsgrens op 18 te leggen, ook al is dat ook ‘betuttelend’.
Het verschil met telefoons of sociale media is cruciaal. Overdaad schaadt altijd, maar het internet is niet per definitie ongezond. Hoe groot de verleiding ook is, bewindslieden zouden morele paniek daarover moeten weerstaan.
BART EECKHOUT
Bart Eeckhout
Verschenen in De Morgen, 11 april 2026, PDF

