Niemand wordt beter in een taal door ze minder te spreken

Nieuwe onderzoeksresultaten tonen dat Vlaamse kleuters het voor wiskunde en taal niet goed doen. In De Afspraak weerklonk prompt een pleidooi om meer op andere thuistalen dan het Nederlands in te zetten in het onderwijs. Het is een idee dat blijft opduiken in het onderwijsdebat. Maar het was, is en blijft een slecht idee.

Voorstanders van thuistaalonderwijs stellen vaak dat wie taalvaardiger is in Arabisch, ook vaardiger is in Nederlands. En daarom zou dan de ontwikkeling van het Nederlands verbeteren door thuistaal te spreken in de klas. Dat klopt niet. Zelfs bij wie zeer begaafd is transfereert taalbeheersing niet zomaar.  Niemand wordt beter in een taal door ze minder te spreken. De belangrijkste voorspeller van taalvaardigheid blijft de mate van blootstelling en oefening. Zeker voor kinderen die thuis geen Nederlands spreken is school de enige leerkans. 

De kost voor minder Nederlands levert ook weinig op voor de thuistaal van vaak taalarme kleuters, zeker als de leraar die thuistaal niet spreekt. In de Vlaamse praktijk manifesteert de utopie van meertaligheid zich vaak als een realiteit van nultaligheid.

Merk overigens op dat het makkelijke idee van de transfer tussen talen ook omgekeerd kan geformuleerd worden: laat ons maximaal inzetten op Nederlands en dan wordt Arabisch automatisch beter. Het is dezelfde redenering, maar dat zeggen voorstanders van thuistaalonderwijs dan weer nooit.

Een ander argument is internationaal onderzoek dat schooltaal zag verbeteren na inzet van andere thuistaal. Alleen zijn die oudere voorbeelden helemaal niet relevant voor de hedendaagse Vlaamse superdiverse context. In de zeldzame successen gaat het steeds om meertalige, maar homogene groepen kinderen, die bijvoorbeeld van Mexico emigreerden naar de zuidelijke Verenigde Staten. Ze genoten aangepast meertalig onderwijs, met leraren die perfect beide talen beheersten, en heel gerichte didactiek. Dat is in geen enkel geval bruikbaar in Vlaanderen, waar men van leraren niet kan verwachten de 15 verschillende thuistalen in de klas te beheersen, een voorwaarde voor dat succes.

Er is ook géén empirisch onderzoek dat aantoont dat systematische benutting van andere thuistaal in Vlaamse klaspraktijk Nederlandse taalvaardigheid verbetert. Integendeel. Wat men telkens weer vergeet te vertellen, is dat hevige voorstanders van thuistaalonderwijs dit één keer, iets meer dan 10 jaar geleden, in Gent al effectief geprobeerd hebben. Omdat de taaldiversiteit toen al te groot was om een hele school te betrekken, beperkte men zich tot een makkelijke homogene groep van tweetalige Gentenaars die thuis Turks praatten. Het rapport van honderden bladzijden moest concluderen dat (Nederlandse) taalvaardigheid niet verbeterde. En ook leraren en ouders waren niet enthousiast. In onze ervaring zou het moeilijk zijn zo’n experiment op kinderen vandaag voorbij een ethische commissie te krijgen; hier wordt het als algemeen beleid voorgesteld.

Vandaag wordt goede taalbeheersing in het Nederlands voor migranten te makkelijk als onhaalbaar bestempeld. Deze lage verwachtingen werken als zelfvervullende voorspelling. Voor 30 procent van de kleuters in dit nieuwe onderzoek verwachten leraren geen succesvolle schoolloopbaan, ook al zijn ze amper 5 jaar oud. Thuistaalonderwijs biedt dan een makkelijke schijnoplossing. Deze sociaal bewogen openheid impliceert echter een diep tragisch en deterministisch kindbeeld. Alsof onze migrantenhersenen de eerste hersenen in de geschiedenis zouden zijn die niet in staat zijn Nederlands te leren. Dat is natuurlijk niet zo. Over de hele wereld leren kansrijke én kansarme kinderen de taal van de omgeving waarin ze opgroeien. 

Het is net zaak die omgeving zo taalrijk mogelijk te maken. En zo vroeg mogelijk. Kinderhersenen zijn taalsponzen, en naast frequentie van kwalitatieve blootstelling en oefening is verwervingsleeftijd de sterkste voorspeller van latere taalvaardigheid. Omdat de kneedbaarheid van de hersenen afneemt na de leeftijd van 6 jaar. Vroege instructie heeft een groter effect. Het opgeven van Nederlands als exclusieve schooltaal is een voorbeeld van een frequent probleem in ons onderwijsbeleid: nobele, sociaal geïnspireerde intenties leiden tot recepten die empathisch lijken maar contraproductief uitdraaien voor sociale mobiliteit. Zachte taalmeesters maken stinkende sociale wonden.

Integratie, arbeidsmarkt, toegang tot hoger onderwijs, sociale activiteit, cohesie en burgerschap vereisen nu eenmaal Nederlands als men in Vlaanderen leert, leeft en werkt. Uit het PIRLS onderzoek blijkt dat nog slechts 52% van de Vlaamse kinderen thuis altijd Nederlands spreekt. In andere landen is de thuistaal veel vaker de schooltaal, ook in migratielanden, zoals Engeland (69%). Ons onderwijs is daarmee het slachtoffer van een dramatisch algemeen integratiebeleid, waarin vrijblijvendheid al te vaak domineert. Als we van onderwijs verwachten dat ze die verantwoordelijkheid van maatschappij en ouders te lijf gaan, moeten we daar wel blootstelling aan Nederlands maximaliseren. Het was overigens nogal symbolisch dat de drie intelligente, succesvolle vrouwen die dit debat op televisie voerden elk in hun migratiegeschiedenis net heel goed Nederlands leerden. Met ouders die hoge verwachtingen koesterden, en Nederlands belangrijk vonden. Dat getuigden minister Demir, professor Consuegra en topjournaliste Taspinar in interviews al vaak.

Leerprestaties hangen veel sterker samen met het taalniveau van kinderen en hun ouders dan met hun bankrekening. Sociale ongelijkheid is voor het belangrijkste deel taalarmoede. Kinderen die thuis geen Nederlands spreken hebben een jaar leervertraging ten opzichte van kinderen die dat wel doen. Ook als dat geen migrantenkinderen zijn trouwens. Schooltaal is veel crucialer dan migratie. Omdat taal de drager is van ons denken, van kennis en instructie. Het is de oorzakelijke drijfveer van schoolachterstand, of van sociale mobiliteit. We hebben dus niet minder, maar meer Nederlands nodig in de kleuterklas. Als een woordje Turks valt is dat geen ramp, maar consequent inzetten op thuistaal is noch praktisch haalbaar, noch efficiënt, en nooit een vervanging voor systematische, intensieve instructie in de schooltaal. Laat onze lerarenopleidingen daartoe opleiden, met ambitieuze leerdoelen voor elk kind.

verschenen in De Standaard, 9 mei 2026

https://www.standaard.be/opinies/niemand-wordt-beter-in-een-taal-door-ze-minder-te-spreken/151243564.html

Comments are closed.

Post Navigation