De sterkste leerlingen hebben de afgelopen decennia aan cognitieve vaardigheden ingeboet. “We laten veel kinderen in de steek die enorme talenten hebben, maar niet gezien of uitgedaagd worden.”
Wie is er top in wiskunde? In 2003 mocht nog ruim een derde van de Vlaamse 15-jarigen de hand opsteken, blijkt uit het Pisa-onderzoek van de Oeso. Zij waren in staat om complexe vraagstukken op te lossen door zelf een strategie te bedenken. In 2022 was dat nog maar 15 procent van de leerlingen.
In twintig jaar tijd zijn we dus ontzettend veel toppers kwijtgespeeld. De jongste twee decennia zaten bijna anderhalf miljoen 15-jarigen op de Vlaamse schoolbanken. 360.000 van hen mochten zich wiskundetopper noemen. Maar was de wiskundevaardigheid op het niveau van 2003 gebleven, dan waren dat er 140.000 meer.
Niet alleen voor wiskunde is de top veel smaller geworden. In 2003 mocht 17 procent van de 15-jarigen zich een topper in taal noemen. Dat wil zeggen dat ze lange, complexe teksten begrijpen, interpreteren en vergelijken. In de laatste Pisa-meting (2022) haalde nog minder dan 8 procent dat niveau. Ook hier zijn we, over een periode van twintig jaar, 65.000 toppers kwijtgespeeld.
Die trend wordt bevestigd door andere internationale onderzoeken bij tienjarige leerlingen, zoals Pirls en Timss. Ook daar blijkt dat het aantal topleerlingen voor wiskunde, wetenschap en taal de voorbije twee decennia is afgenomen. Net als de gemiddelde score van alle leerlingen gaat ook de score van de sterkste tienjarigen significant achteruit.
Niet dommer
De vaststelling klinkt bekend in de oren. Bij elke nieuwe editie van internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek blijkt dat de prestaties verder achteruitgaan. Daarbij wordt vaak de nadruk gelegd op de gemiddelde score of de laagpresteerders. Maar de cijfers tonen dat ook bij de toppresteerders de klad er duidelijk in zit.
Toch zijn er geen aanwijzingen dat kinderen en jongeren de afgelopen decennia dommer zijn geworden. Ze zitten doorgaans ook op dezelfde scholen als oudere generaties. En ze krijgen vaak zelfs nog les van dezelfde leerkrachten.
De samenstelling van de bevolking is wel gewijzigd. In twintig jaar is het aantal 15-jarigen dat thuis een andere taal spreekt bijna verviervoudigd, van 6 naar 22 procent. Het aantal jongeren met een migratieachtergrond is van 7 naar 18 procent gegaan.
Hoewel sommige anderstalige leerlingen erg goed scoren op school, blinken ze in het algemeen beduidend minder vaak uit. Zowel voor wiskunde als voor taal ligt het aandeel toppers drie keer hoger bij leerlingen die thuis Nederlands spreken. Hetzelfde geldt voor migratie: de groep jongeren zonder migratieachtergrond telt drie tot vier keer meer toppers.
“Het is een verklaring, maar geen verzachtende omstandigheid”, stelt Wouter Duyck, professor cognitieve psychologie (UGent). “Bijna nergens konden zoveel arbeiderskinderen naar de universiteit gaan als in Vlaanderen. Die sociale mobiliteit zie je vandaag veel minder. Streven naar excellentie is ook een verhaal van gelijke kansen: Mohammed die een 9 op 10 haalt, zal de eerste ingenieur van zijn familie worden. Niet Mohammed met een 6 op 10.”
Talent verspild
De gewijzigde leerlingenpopulatie verklaart slechts in beperkte mate de afbrokkeling aan de top. Dat kunnen we illustreren met een eenvoudige berekening. Als het aandeel anderstaligen in 2003 even hoog zou hebben gelegen als vandaag, én het aandeel toppers binnen de groep van Nederlandstaligen en anderstaligen gelijk was gebleven, dan was het aandeel wiskundetoppers gezakt van 34 naar ongeveer 31 procent. Maar in realiteit is het naar 15 procent gezakt.
Dat komt doordat de top afbrokkelt in alle groepen, óók bij de meest kansrijke leerlingen: jongeren met de hoogst opgeleide en meest verdienende ouders, die thuis Nederlands spreken en die school lopen in een humaniora. Het aandeel toppers in die groep zakte van 72 naar 42 procent voor wiskunde, en van 42 naar 23 procent voor taal, blijkt uit onze analyse van de laatst beschikbare Pisa-cijfers.
Zo wordt veel talent verspild, zowel bij kansrijke als bij kansarme jongeren. “We laten veel kinderen in de steek die enorme talenten hebben, maar om uiteenlopende redenen niet gezien of uitgedaagd worden”, zegt Katrijn Denies, onderzoeker onderwijseffectiviteit (KU Leuven).
Een lichtpuntje: het is niet omdat jongeren op 15-jarige leeftijd minder goed scoren, dat ze dat altijd blijven meeslepen. Uit Oeso-onderzoek blijkt dat er nu méér jonge volwassenen in Vlaanderen uitstekend scoren op geletterdheid en gecijferdheid dan tien jaar geleden. “Universiteiten en hogescholen vervullen een remediërende functie”, zegt Duyck. “Al wordt het lagere algemene niveau wel gevoeld; sommige proffen moeten in het eerste semester nog leerstof uit het secundair geven.”
In de reeks ‘De slimste van de klas’ onderzoekt De Standaard waarom de top smaller wordt en wat scholen daaraan kunnen doen.
Dries De Smet
Verschenen in De Standaard, 27 augustus 2026, PDF

