Onderwijs – PISA: belangrijk maar geen graadmeter voor kwaliteit

Hoogdag voor het onderwijs: de nieuwe PISA-resultaten onthullen vandaag hoe het gesteld is met het niveau voor lezen, wiskunde en wetenschappen van de Vlaamse leerlingen. Maar hoe moeten we die resultaten nu echt interpreteren? Una Roosen

Al jaren rinkelt hetzelfde alarmsignaal: de Vlaamse onderwijskwaliteit is aan het kelderen. Onderwijsexperten, politici en beleidsmakers wachten dan ook in volle spanning de nieuwe PISA-resultaten af die de OESO vandaag bekend zal maken. Daarmee krijgen we een nieuwe stand van zaken.

Om de drie jaar peilt PISA (Programme for International Student Assessment) de leesvaardigheid, wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid van honderdduizenden 15-jarigen wereldwijd met een digitale test. In elke cyclus staat een van die drie cognitieve domeinen centraal. Dit jaar ligt die focus op de wetenschappelijke geletterdheid. Daarnaast worden afwisselend andere vaardigheden onderzocht, zoals financiële geletterdheid en creatief denken.

“Het doel is niet om te meten hoeveel leerstof uit het curriculum leerlingen uit hun hoofd kennen, maar om in te schatten in hoeverre ze kennis en vaardigheden kunnen inzetten in situaties in de werkelijke wereld buiten de schoolmuren”, zegt pedagoog Pedro De Bruyckere (Universiteit Utrecht).

De grootste kwaliteit van PISA is volgens onderwijsexpert Wouter Duyck (UGent) dan ook de omvang van het onderzoek, zowel geografisch als in de tijd. PISA wordt sinds 2000 driejaarlijks afgenomen (met een onderbreking door de coronapandemie) in meer dan negentig landen. “Het is de enige bron van informatie die toelaat om claims te maken over evoluties in het secundair onderwijs over een periode van meer dan twintig jaar”, stelt Duyck.

Evolutie

Voor Vlaanderen is dat volgens hem van bijzonder belang, want uit de vorige resultaten bleek dat wij in twintig jaar tijd al vijftig punten gezakt zijn. “Op een schooljaar leer je gemiddeld veertig punten bij”, zegt hij. “Dat betekent dat het vandaag vijftien maanden langer duurt vooraleer een 15-jarige even goed kan lezen en rekenen als in 2003. Alleen Nederland en Finland hadden in diezelfde periode een gelijkaardige leervertraging. De bekendmaking van de nieuwe resultaten is dus een belangrijk moment om te kijken hoe Vlaanderen is geëvolueerd.”

Toch schuilen er in de interpretatie van de resultaten verschillende valkuilen. Pedagoog en onderwijsexpert Johan De Wilde (Odisee) benadrukt dat de scores geen graadmeter zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. PISA meet immers een beperkt aantal vaardigheden bij 15-jarigen. “Wie in Vlaanderen secundair onderwijs volgt, krijgt veel meer mee dan alleen lezen, wiskunde en wetenschappen.”

“Andere taalvaardigheden, zoals schrijven en luisteren, komen niet aan bod, evenmin als vakken als geschiedenis of muzikale vorming. En voor leerlingen in de dubbele en arbeidsmarktfinaliteit ontbreken ook de technische en beroepsgerichte vaardigheden die een belangrijk deel van hun opleiding vormen. Als je een uitspraak wilt doen over de kwaliteit van het onderwijs, moet je die dingen meenemen”, zegt De Wilde.

Naast de cognitieve basisvaardigheden die getest worden, probeert PISA ook in kaart te brengen hoe de prestaties van leerlingen samenhangen met bijvoorbeeld hun sociaal-economische achtergrond, moedertaal en mentaal welzijn. Maar ook daar is voorzichtigheid nodig.

“PISA brengt verbanden in kaart, geen oorzaken”, benadrukt Duyck. “Het is een outputmeting: het toont wat leerlingen kunnen, maar het geeft geen antwoord op de vraag waarom dat zo is. Daarvoor zijn vervolgstudies nodig.”

En dan is er nog de gevreesde landenranglijst. Ook die verdient volgens Duyck een flinke korrel zout: “Het maakt minder uit of we nu dertiende of zestiende staan. Er zijn honderden factoren die de kleine verschillen tussen landen kunnen verklaren, van hun rijkdom tot de opleiding van leraren.” Belangrijker dan enkele plaatsen winst of verlies is daarom de evolutie van Vlaanderen tegenover zichzelf, stellen Duyck en De Bruyckere.

startpunt

Ook De Wilde plaatst vraagtekens bij wat zo’n internationale vergelijking precies vertelt. Hij waarschuwt voor de paradox van internationale testen: dat landen hun onderwijs steeds meer gaan afstemmen op wat de test meet, en zo hoger scoren. “Bovendien kunnen leerlingen door veelvuldig oefenen met gestandaardiseerde toetsen vertrouwd raken met het format”, zegt hij.

Tot slot waarschuwt Duyck voor snelle conclusies over het effect van beleid. Onderwijsveranderingen laten zich volgens hem niet meteen in de PISA-cijfers zien. “Maatregelen die nu genomen worden, zullen pas binnen negen à twaalf jaar impact hebben op de resultaten. PISA is relevant voor beleidsbeslissingen, maar we moeten begrijpen dat daar tijd overheen gaat.”

Wie straks de resultaten leest, moet zich volgens De Wilde vooral de vraag stellen wat we onder ‘goed onderwijs’ verstaan. “Als we ons beperken tot wat we in een digitale test van twee uur kunnen meten, verengen we dat begrip onvermijdelijk”, stelt hij. “De PISA-resultaten kunnen wel een nuttig startpunt zijn om te onderzoeken waar leerlingen sterk in zijn en waar het beter kan, en om daar lessen uit te trekken. Maar die analyse kan onmogelijk enkel steunen op de punten en ranking die we straks te zien krijgen.”

UNA ROOSEN

Verschenen in De Standaard, 8 september 2026, PDF

Comments are closed.

Post Navigation