Na de bekendmaking van de nieuwste PISA-resultaten rollen experts en politici over elkaar heen om de slechte punten voor Vlaamse scholieren te verklaren. Wij namen vier verklaringen onder loep.
1 – “Sociale media maken de breinen van onze kinderen kapot”
Conner Rousseau, voorzitter Vooruit
In een bericht op Facebook legt Conner Rousseau expliciet de link tussen de dalende resultaten van Vlaamse vijftienjarigen op de PISA-toets en sociale media. “Door de ‘overload’ aan informatie en de snelheid waarmee die geconsumeerd wordt, krijgen onze kinderen het in de echte wereld moeilijker en moeilijker om te lezen, te rekenen en te schrijven.”
In dat laatste schuilt volgens professor digitale cultuur Mariek Vanden Abeele (UGent) een grond van waarheid, maar dat sociale media de breinen van onze kinderen kapot maken, is een brug te ver. “We zien weinig indicatie dat blootstelling aan sociale media onze hersenen herbedraden of ‘kapot maken’”, zegt ze. “Bovendien: de achteruitgang op de PISA-toets is al veel langer ingezet, nog voor de opkomst van sociale media.”
De OESO zegt in haar PISA-rapport wel zelf dat sociale media mogelijk vreet aan de kunde en motivatie bij jongen om zich in te laten met complexe teksten. “Het is wel zo dat mensen – en zeker jongeren – minder tijd nemen om langere, complexe teksten te lezen”, zegt Vanden Abeele. “Net omdat een laagdrempelig alternatief als sociale media voortdurend binnen handbereik is. Als je minder complexe teksten leest, zal die vaardigheid ook minder worden getraind. Dat kan een invloed hebben op schoolprestaties.”
2 – “In twintig jaar tijd is het aantal 15-jarigen dat thuis een andere taal spreekt, bijna verviervoudigd: van één op zestien naar één op vier. Dat brengt een taalachterstand met zich mee.”
Stijn Baert, professor arbeidseconomie, UGent
Leerlingen die thuis een andere taal spreken dan Nederlands halen veel lagere scores op PISA. Dat is een feit. Voor lezen bijvoorbeeld halen kinderen die thuis Nederlands spreken 484 punten op de PISA-test. Bij 15-jarigen die een andere thuistaal hebben is dat een score van 412. Een kloof van 72 punten. Tegelijkertijd is het aandeel 15-jarigen in de PISA-toets dat thuis geen Nederlands spreekt tussen 2015 en 2025 gestegen van 15,5 naar 20,4 procent. “Doordat het aandeel van die groep is toegenomen, weegt hun lagere score ook meer op het gemiddelde”, verduidelijkt professor Baert.
Dat zogenaamde compositie-effect speelt zeker een rol in de algemene daling, maar de OESO zegt wel zelf: “Dergelijke demografische veranderingen zijn nooit de belangrijkste drijvende kracht achter de waargenomen grote trends.” En: “Het gaat nooit meer over enkele punten.” Dat meer speelt, blijkt ook uit de daling van de scores bij leerlingen die thuis wel Nederlands spreken. Zij gingen de voorbije tien jaar in gelijke tred achteruit.
3 – “Dat zoveel jongens die minimumnorm niet meer halen, verbaast me wel. Dit kan je niet los zien van de sterke vervrouwelijking van het onderwijs.”
Wouter Duyck, professor cognitieve psychologie, UGent
Het is een citaat van professor Wouter Duyck in Het Laatste Nieuws, over het feit dat meer dan één op de drie jongens niet het basisniveau voor lezen haalt. In een reactie aan onze krant zegt hij dat de context ietwat verloren is geraakt in dat citaat en dat hij er vooral op wilde wijzen dat jongens op school een gebrek aan mannelijke rolmodellen hebben.
In elk geval staat in het recente TALIS-onderzoek, net als PISA uitgevoerd door de OESO maar dan bij leerkrachten en directies, dat het rechtstreekse effect van het geslacht van leerkrachten op leerprestaties in Vlaanderen gering is. Internationaal bestaan studies die wel een positief effect tonen wanneer jongens les krijgen van mannelijke leerkrachten, maar dat effect is doorgaans heel klein.
Dat de grotere kloof tussen meisjes en jongens in PISA aan een toenemende vervrouwelijking van het lerarenberoep ligt, is volgens onderwijssociologe Mieke Van Houtte (UGent) dus onwaarschijnlijk. Het is een feit dat jongens het minder goed doen op school, “maar dat heeft vooral te maken met de manier waarop ze sociale status verwerven”, zegt ze. “Ze willen voldoen aan de heersende stereotypen over mannelijkheid en tijdens de adolescentie houdt dat in dat het niet cool is om je in te zetten voor school.”
4 – “We zijn onze toppers volledig uit het oog verloren. Zij worden vandaag bijna niet uitgedaagd in de les.”
Ann Dooms, professor wiskunde, VUB
Een vaststelling die onmiskenbaar is: de spoeling aan de top wordt alsmaar dunner. Zeker voor wiskunde. Het aantal Vlaamse 15-jarigen dat het hoogste niveau haalde op PISA daalde van 34,3 procent in 2003 naar 11,8 procent in 2025. En dat is problematisch in een kenniseconomie als de onze. Of dat ligt aan het feit dat leerlingen vandaag minder uitgedaagd worden, is moeilijk te bewijzen. Verschillende leerkrachten met vele jaren ervaring hebben in de media wel al meermaals aangeklaagd dat er vandaag minder gevraagd wordt van kinderen op school. Andere experten hebben erop gewezen dat de focus op de ‘zwakkere’ leerlingen ervoor heeft gezorgd dat we de sterkere uit het oog zijn verloren.
Recent onderzoek van De Standaard heeft bovendien aangetoond dat slechts weinig scholen – 22 procent – inzetten op ‘cognitief sterk functionerende’ leerlingen. Zeg maar de slimmeriken. “Scholen slagen er vaak niet in om het talent van de sterkste leerlingen te verzilveren”, reageerde ook Karine Verschueren, coördinator van het expertisecentrum Talent.
Jens Vancaeneghem
Verschenen in Het Nieuwsblad, 10 september 2026

