“Als een student meer werkt dan hij studeert, dan loopt er iets grondig fout”, schreef socioloog Karen Van Aerden in deze krant (DS 1 juni). Ze legt daarmee de vinger op een almaar stinkende wonde. Studenten studeren minder en werken meer. Alleen is de voorgestelde oplossing, de private studiekosten verlagen, niet de juiste.
Het klopt dat studentenarbeid veel vaker voorkomt. We hebben het dan niet over de klassieke vakantiejob, maar over tewerkstelling tijdens het academiejaar, tegelijk met onderwijsactiviteiten dus. Onderzoek van Randstad, dat veel van die studenten tewerkstelt, toonde dat in 2004 30 procent van de studenten werkte. In 2020 was dat meer dan verdubbeld tot 70 procent. Sindsdien is dat nog gestegen. Ook de overheid ging daarin mee: ze trok de grens voor de fiscale gunstregeling op tot 650 uur, wat ongeveer neerkomt op twee dagen voltijds werken per onderwijsweek.
Het is onvoorstelbaar dat we dat normaal zijn gaan vinden. Een studieprogramma is berekend op 60 studiepunten of 1.800 uur studeren per jaar, inclusief alle onderwijs- en studeeractiviteiten. Een student die (slechts) een maand verlof neemt, is dus 37,5 uur per week, of voltijds, bezig met zijn studies. Er is dus gewoon geen ruimte voor een halftijdse job daarbij. Onderzoek van Stijn Baert toonde aan dat meer dan 8 uur per week werken wel degelijk een negatief effect heeft op slagen.
Engagement
Dat alles heeft dus gevolgen. Vlaanderen heeft ondertussen bijna de laagste slaagpercentages in het hoger onderwijs van Europa. Alleen Nederland, de Franstalige Gemeenschap in België en Oostenrijk doen slechter. Slechts één op de drie Vlaamse jongeren haalt nog het diploma in de vooropgestelde studieduur. Het Europese gemiddelde ligt op 43 procent. Daarbovenop slaagt één student op de vijf alsnog, maar met een jaar vertraging. Dat is in het veld ondertussen de nieuwe standaard geworden. Studenten zakken hier vaker, en studeren dus langer, omdat het kan. Nederlands onderzoek illustreert dat strengere doorstroomregels studenten dadelijk hoger doen mikken, met meer vakken, en ook effectief met succes.
Onderzoek van Izaak Dekker (Hogeschool van Amsterdam) liet zien dat Nederlandse hogeschoolstudenten tussen 2016 en 2024 per week 10 uur minder zijn gaan besteden aan hun studie, en 5 uur meer aan werk. Vlaamse cijfers ontbreken, maar elke docent in het Vlaamse hoger onderwijs zal getuigen dat dit ook bij ons speelt. Daarnaast heeft corona fysieke deelname aan onderwijsactiviteiten minder evident gemaakt. Alleen leiden de online alternatieven niet tot hetzelfde engagement, dat in een tijd waarin artificiële intelligentie het sowieso niet makkelijker maakt om de inspanningen van studenten in te schatten op basis van de gebruikelijke werkstukken.
Karen Van Aerden concludeert uit de studentenarbeid in elk geval dat de studiekosten dus omlaag moeten, en verwijst naar de 29 procent van de studenten die aangeven met die arbeid deels hun studie te betalen. Ze vergeet daarbij dat een overgrote meerderheid van 71 procent dus niet werkt omdat het moet. Dat strookt met het onderzoek van Randstad, waar studenten aangaven wat ze wilden doen met het geld dat ze verdienen als student (in afnemende volgorde): uitgaan, sparen, vakantie, kleding, smartphone, computer & internet, transport, sport, muziek & film, hobby, boeken. En dan pas: studies, en ook hier slechts één student op de drie. Dat zien we ook in officiële cijfers: de private bijdrage tot studeren is nu al bijna nergens lager dan hier. In Vlaanderen betalen studenten 17 procent van de studiekosten hoger onderwijs, in Europa is dat 30 procent, in Engeland 78 procent.
Vrijblijvendheid
Nu is er uiteraard niets verkeerd met werken voor plezier. Ook vandaag mogen studenten gerust zelfs meer dan 650 uur per jaar werken. Dat is niet verboden. Maar de vraag is of je dat tot 650 uur fiscaal moet aanmoedigen als studenten zo vaak zakken, bovendien in een onderwijssysteem waar iedereen alles mag studeren. Met flexibele trajecten, met lagere private kosten, zonder studieschulden. Als je op alle parameters tegelijk de grootste vrijblijvendheid inbouwt van heel Europa, dan krijg je dus uiteindelijk het studierendement dat wij hebben.
De samenleving betaalt studenten om te studeren (meer dan 12.000 euro per jaar per student), en laat vervolgens diezelfde studenten toe om belastingvrij iets anders te doen. Dat klopt niet. Als je de kosten van studeren solidariseert, moet daar engagement en inzet tegenover staan. Omgekeerd, als je de baten van belastingvrije arbeid individualiseert, dan moeten individuen ook de kosten dragen van langere studie.
Uiteraard moeten er mechanismen bestaan voor wie zijn studies echt niet kan betalen, maar zowel qua inschrijfgelden als qua beurzen is Vlaanderen best genereus. Een student op de vier krijgt een studietoelage, wat niet zo ver onder die 29 procent is. Dat kan misschien zelfs beter als men wat strenger is voor wie bewust en onnodig de publiek gefinancierde studie rekt.
De enige reden die je zou kunnen bedenken om dit systeem in stand te houden is de economie, die terecht smeekt om flexibele en goedkope arbeidskrachten. Uiteraard kan daarop ingezet worden. Maar een competitieve kenniseconomie bouw je niet door onze sterkste hersenen terrasjes te laten bedienen. Die hersenen hebben we nodig op onze hogescholen en universiteiten. Studenten zijn geen arbeidsreserve voor de economie van 2026, ze moeten de motor zijn van de economie van 2040. Voor die terrasjes zijn er in dit land meer dan genoeg inactieven die baat kunnen hebben bij jobs die niet zo veel bijzondere competenties vergen.
Verschenen in De Standaard, 4 juni 2026

