Armoede aanpakken begint met IQ-test

Kan het IQ meten van kansarme kinderen hen uit de armoede halen? Met die vraag stapte Cathy Galle, zelf kind van arbeiders die het niet breed hadden, naar enkele experts. ‘Als we het alleen van testen en examens laten afhangen, zal de situatie nooit veranderen.’

Midden de jaren 80. In een klein West-Vlaams dorpje zit een twaalfjarig meisje met haar rapport op schoot. Er staat groot geschreven: 90%. Voor haar zit een vrouw van het PMS, de voorloper van het huidige CLB. Grijs mantelpakje, streng brilletje. Ze geeft het meisje een document met daarop het advies van haar dienst: technisch onderwijs. Uitleg komt er niet.

Dat meisje, dat was ik. En het was de eerste keer dat ik echt besefte dat er iets niet klopte. Hoe hard ik ook mijn best deed op school, voor de officiële instanties was en bleef ik ‘een arbeiderskind’. En dan nog eentje van wie de ouders het niet breed hadden. In die tijd stond dat gelijk aan: een kind dat het toch nooit ver zou schoppen. Een kind voor wie Latijn of Moderne sowieso te hoog gegrepen was.

“Beeldt u zich eens in dat u op dat moment een officieel document had kunnen voorleggen met de resultaten van uw IQ-test. Waarop zwart op wit stond dat u wél capaciteiten had, ondanks uw socio-economische status. Dan had u sterker gestaan.” Wouter Duyck, professor cognitieve psychologie aan de Universiteit Gent is een hevige voorstander van de invoering van cognitieve testen.

Het is volgens hem de enige manier om potentieel van kinderen te ontdekken. Vooral van kinderen uit kansarmere milieus. Kinderen die nu vaak onder de radar blijven.

Hij vindt het vooral bijzonder spijtig dat de hele IQ-discussie, die vorige week begon door een voorstel van N-VA, ontaardde in een scheldpartij. “Als men begint te discussiëren over stellingen als ‘armen zijn dom’, dan stopt het debat”, zucht professor Duyck. “Terwijl het zo’n belangrijk debat is. Nu doen we in de armoedebestrijding vooral aan symptoombestrijding. Ook in de scholen, met ons gelijkekansenbeleid. We vullen boterhamdozen. Terwijl we er zouden moeten voor zorgen dat kansarme kinderen

zich vooral cognitief beter kunnen ontwikkelen. Dan zullen hun kinderen geen lege boterhamdozen meer meekrijgen. Als we dus structureel iets willen doen aan armoede, dan begint het met IQ-testen.”

Hij verwijst ook naar het onderzoek van de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar James Heckman. Die berekende dat als je kansarme kinderen ondersteunt in hun cognitieve ontwikkeling, je als overheid een rendement haalt van 7 procent op de investering die je gedaan hebt. Omdat het kind dan vaker hoger onderwijs kan aanvatten en zo een betere job en een hoger salaris kan krijgen, waardoor het meer RSZ en belastingen betaalt. “De economische effecten van zo’n ondersteuning zijn dus groot. Alleen is het voor politici een probleem dat je die effecten pas decennia later ziet”, zegt Duyck.

‘The Bell Curve’

Waren de felle reacties op het N-VA-voorstel dan onterecht? Niet helemaal. Want IQ-testen zijn op z’n zachtst gezegd een beetje ‘aangebrand’. Ook armoede-expert Ive Marx, verbonden aan het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, reageert eerder aarzelend. “De vraag is op welke manier het gaat meespelen, wat men precies wil onderzoeken. Bij IQ-testen denk ik meteen aan de felle polemiek die halfweg de jaren 90 in Amerika woedde.”

Die kwam er na publicatie van The Bell Curve, een controversieel boek dat Harvard-hoogleraar Richard Herrnstein samen met politiek wetenschapper Charles Murray schreef. Het boek ging net over het feit dat intelligentie een betere voorspeller is van allerlei maatschappelijke variabelen – zoals inkomen, werkprestatie, ongehuwde zwangerschap en misdaad – dan de sociaal-economische status of het opleidingsniveau van de ouders. De auteurs baseerden zich voor hun visie op een aantal grootschalige onderzoeken, waarbij duizenden Amerikanen gedurende 15 jaar gevolgd werden.

Maar het venijn zat hem in de hoofdstukken 13 en 14. Daarin stellen de auteurs dat er een correlatie is tussen IQ en armoede en dat er ook raciale verschillen zijn in intelligentie. Volgens hen scoren zwarte Amerikanen gemiddeld 15 punten lager dan blanke Amerikanen. Ze stelden ook voor om de overheidssteun aan arme vrouwen met kinderen af te schaffen. Volgens hen kon overheidssteun gezien worden als een ‘bonus’ voor het krijgen van kinderen. Aangezien arme vrouwen gemiddeld een lager IQ hebben dan meer bemiddelde vrouwen, betekent dat volgens hen het in stand houden van groepen met een lagere intelligentie.

Achteraf bleek dat de testen die Herrnstein

en Murray gebruikten ‘cultureel vertekend’ waren. Ze waren met andere woorden op maat van blanke Amerikanen gemaakt, waardoor zwarten sowieso lager scoorden.

Een prachtig voorbeeld van wat er kan mislopen als IQ-testen niet goed gehanteerd worden, argumenteren tegenstanders van IQ-testen. En op zijn minst een teken dat we voorzichtig moeten zijn, vindt ook Ive Marx. “Als dergelijke testen op een gevalideerde manier gebeuren door professionals, dan heeft het in mijn ogen zijn waarde. Alleen dreigt het snel uit de hand te lopen als het niet zo gebeurt.”

Kinderen uit de lagere klassen hebben het ook sowieso vaak moeilijker met toetsen dan kinderen uit de hogere, weten we uit heel wat onderzoek. Dat geldt niet alleen voor IQ-testen, maar voor alle soorten testen. Kansrijke ouders ‘toetsen’ hun kinderen voortdurend, vaak volledig onbewust. Door hen uitdagende vragen te stellen, gesprekken te voeren met hen, naar hun mening te vragen en hen mee te nemen naar verschillende plaatsen waar ze in contact komen met cultuur.

Kansrijke kinderen worden zo eigenlijk systematisch voorbereid op toetsen en het formuleren van antwoorden. Bij kansarme ouders en hun kinderen is die context er vaak niet. De wil is er vaak wel, maar de capaciteiten of mogelijkheden om hen te begeleiden ontbreken.

Lezen = lui zijn

Flashback naar de jaren 80. Ik herinner me grote ruzies omdat ik met een boek in de zetel lag. Lezen stond in de ogen van mijn vader gelijk aan ‘lui zijn’. Mijn ouders, zelf tot hun veertien jaar naar school gegaan, hadden vroeg geleerd dat hard werken de enige garantie was op overleven. In de zetel liggen met een boek was voor hen het toppunt van luiheid. Tot iemand hen uitlegde dat lezen net goed was voor mijn ontwikkeling. Dat ik daardoor misschien niet in de fabriek zou belanden. Een redenering die – gelukkig voor mij – aansloeg.

Want als er iets was dat mijn ouders wilden, was het wel dat hun kinderen het beter zouden krijgen dan zij. Al hoefde dat volgens hen niet per se door te studeren. Ik heb het vaak te horen gekregen: we waren geen familie van de studie. ‘Mensen-zoals-wij’ gingen niet naar de hogeschool of universiteit. Net zoals ze ook niet naar musea gingen of op reis. En ze volgden al zeker geen muziek- of dictieles. Maar boeken lezen, mocht dus voortaan wel.

Of het nu door het lezen kwam of niet, met mijn studies ging alles goed. En nu heb ik het financieel heel wat beter dan mijn ouders het ooit hadden. Een situatie die bij mijn generatie wel vaker voorkomt,

weet professor Wouter Duyck. “Het aantal kinderen dat hoger opgeleid is dan de ouders is in Vlaanderen erg hoog. In de hele OESO scoort alleen Finland hoger. Kijk naar mij, mijn vader bracht toen hij 16 jaar was biervaten rond in Roeselare. In mijn familie was nog niemand naar de universiteit geweest. Nu ben ik professor. En waarom? Omdat er leerkrachten waren die zagen dat ik iets in mijn mars had. Die wisten dat het bij ons ‘niet in de familie zat’ om verder te studeren en die mijn ouders hebben kunnen overtuigen. Zo ging het in die tijd heel vaak. Als je het geluk had zo’n leerkracht tegen het lijf te lopen, dan kon je ver geraken.”

Goeie graadmeter?

Geluk. Daar hing het dus van af. En hangt het vaak nog altijd van af. Want ook al zijn de tijden veranderd, de klassenraden en het CLB zijn nu nog altijd minder geneigd om pakweg een Turks kind naar de universiteit te sturen dan het kind van een dokter, weet Wouter Duyck. “Daarom dat werken met IQ zo belangrijk kan zijn. Het kan een tegenwicht vormen, want zo’n test geeft een goeie indicatie van het potentieel van een kind. En ja, we moeten voorzichtig zijn met die testen. Maar een wetenschappelijk onderbouwde en gevalideerde test afgenomen door een gekwalificeerd persoon, is het beste middel dat we hebben. Er zijn nog altijd ouders die zeggen dat er ‘bij hen niet naar de universiteit wordt gegaan’. Hen kun je misschien wel overtuigen door ze zwart op wit de resultaten van zo’n test voor te leggen.”

En toch is er twijfel. “Ik heb zelf drie dochters”, vertelt Ive Marx. “Als ik zie welke rekensommen en testen zij moeten maken, dan komt dat toch al aardig in de buurt van wat er in een IQ-test gemeten wordt. Ik denk dat talentrijke leerlingen, ongeacht hun achtergrond, nu al constant getest worden in de klas. Al die toetsen, overhoringen en examens, dat zijn toch directe metingen van de capaciteiten van kinderen. Ik zie dus niet meteen de corrigerende waarde van zo’n IQ-test.”

Een redenering waarmee Wouter Duyck het helemaal niet eens is. “Toetsen en examens zijn niet altijd een goeie graadmeter voor het potentieel van een kind. Een IQ-test heeft een grotere voorspellende waarde van het potentieel van een Turks kindje dan de toets die meester Jan op zijn zolderkamertje gemaakt heeft. Met alle respect voor meester Jan. Maar als we het alleen van schooltesten en examens laten afhangen, zal de situatie nooit veranderen.”

Dat er een objectievere manier moet zijn om de capaciteit te meten, vinden zowat alle experts. Want in een gewone schoolse context spelen zoveel factoren mee dat toetsresultaten niet altijd een weerspiegeling zijn van het potentieel van een kind. Dan wordt meestal verwezen naar het Pygmalion-effect. Pygmalion was in de Griekse mythologie een prins-beeldhouwer uit Cyprus die verliefd was geworden op zijn gesculpteerde vrouwenbeeld van ivoor. Hij bad tot de godin Aphrodite, die het beeld uiteindelijk tot leven wekte. Het toppunt van verwachtingseffect dus.

Dat effect speelt bij leerkrachten ook. Hoe hoger de verwachtingen van de leerkracht, hoe beter de leerlingen gaan presteren. En omgekeerd. Het is een zeer onbewust proces, maar de inschatting van de leerkrachten heeft gevolgen. Hij gaat de leerling ook behandelen volgens zijn inschatting. Dat kan gaan van kinderen minder uitdagen door eenvoudiger vragen te stellen, hen minder aan de beurt te laten komen tot minder aandacht en feedback geven. Leerlingen voelen op hun beurt aan dat er minder van hen wordt verwacht en gaan zich daar op termijn ook naar gedragen.

De gevolgen zijn zelfs in concrete cijfers uitgedrukt. Onderzoekster Sara Speybroeck ontdekte twee jaar geleden in haar doctoraatsonderzoek aan de Universiteit Antwerpen dat het effect van de verwachting die een leerkracht heeft, twee punten meer of minder op tien kan opleveren.

Sociale status

“Dan zijn IQ-testen een veel objectievere manier om capaciteiten te meten”, zei econoom Andreas Tirez vorige maandag al in een interview in deze krant. Ook al zijn die testen niet zaligmakend, kan het resultaat van een IQ-test al eens variëren en zijn cognitieve vaardigheden nog wat aan te scherpen door ‘training’.

Maar leerkrachten krijgen best de individuele resultaten van de IQ-testen van hun leerlingen niet te zien, zodat ze er zich ook niet – onbewust -naar kunnen gedragen. Tirez: “Nu krijgen scholen middelen op basis van de socio-economische status van hun leerlingen. Leerkrachten kennen die individuele scores niet, maar een socio-economische status valt niet altijd te verbergen natuurlijk. Dat maakt IQ-testen objectiever.”

Je sociale status kun je inderdaad moeilijk verbergen. De buitenwereld ziet het als je afdankertjes draagt of kleren die door je mama zelf zijn gemaakt. Nu is zelf kleren maken hip, enkele decennia geleden niet.

Of het voor mij een verschil had gemaakt als ik een IQ-test had kunnen voorleggen, weet ik niet. Als ik specialisten als Wouter Duyck mag geloven zeker wel. Dan was de weg die ik heb moeten afleggen en vooral het opboksen tegen instanties die weinig begrip en vooral veel vooroordelen hadden, minder zwaar geweest. En neen, je hoeft niet per se hogere studies gedaan te hebben om ergens te geraken

in het leven. Beroeps- en technische richtingen hebben absoluut hun waarde. Als je daar zelf voor kiest tenminste en er niet, omwille van je sociale afkomst, in gestopt wordt.

Met mij kwam het uiteindelijk goed, mag ik met enige trots stellen. Ik prijs me vooral gelukkig dat ik thuis vooral warmte heb gekend, dankzij ouders die misschien niet de capaciteiten hadden om mij te stimuleren of intellectueel uit te dagen, maar mij overduidelijk graag zagen. Ik zie in mijn omgeving genoeg mensen die dat gemist hebben en er nu erger aan toe zijn.

CATHY GALLE, verschenen in De Morgen, 21 oktober 2017, PDF

Share on Facebook0Tweet about this on TwitterEmail this to someoneBuffer this pageShare on LinkedIn0Share on Google+0Print this page

Comments are closed.

Post Navigation