Hoogbegaafden horen (ook) thuis in ons onderwijs

De Standaard berichtte gisteren over de gelijktijdige start van twee privéscholen voor hoogbegaafden. Er broeit blijkbaar iets. De initiatiefnemers klagen dat hun kinderen in het reguliere onderwijs sociaal-emotioneel vast lopen, er zouden burn-outs en depressies zijn, en ze zouden net als topsporters nood hebben aan aparte scholen. De initiatiefnemers hebben zeker een punt dat ons onderwijs voldoende aandacht moet besteden aan begaafde leerlingen. Maar tegelijk toont onderzoek dat hoogbegaafden het qua school, carrière, en emotionele ontwikkeling typisch net wel goed doen. Ze hebben dan ook geen aparte scholen nodig.

Allereerst is het belangrijk eens stil te staan bij wat hoogbegaafd nu eigenlijk precies betekent. Honderd jaar wetenschappelijk onderzoek toont dat mensen, zoals voor alle menselijke eigenschappen, van elkaar verschillen qua intelligentie. De belangrijkste testmakers spreken daarbij af dat de gemiddelde intelligentie in de bevolking 100 bedraagt. Ongeveer twee derden van alle mensen wijken niet ver af van dat gemiddelde (tussen 85 en 115). Hoe hoger (of lager) de score, hoe zeldzamer. Hoogbegaafd is dan wie bijvoorbeeld bij de beste 1% (IQ 135) of 5% scores (IQ 125) haalt. Dus, wie op die ene test een zeldzame score behaalt. Het is dus geen aparte categorie mensen die op vele vlakken fundamenteel verschilt van andere mensen. Er valt ook nergens een strikte grens te trekken en het onderscheid tussen een IQ van 135 (hoogbegaafd) en 132 (niet hoogbegaafd) is triviaal.

Toch wordt hoogbegaafdheid de jongste jaren regelmatig opgevoerd als een ernstige risicofactor die steevast leidt tot emotionele en soms zelfs –o ironie!- leerproblemen. Het is een teken des tijds, waar elk gedrag dat enigszins afwijkt van het gemiddelde onmiddellijk gepathologiseerd wordt, en kinderen onmiddellijk een nieuw etiket, uiteraard met bijhorende behandeling, opgekleefd wordt. Terwijl begaafde kinderen in het begin van de vorige eeuw nog bestudeerd worden om hun bewonderenswaardige prestaties, doken in de jaren ’90 plots de eerste studies en veronderstellingen op omtrent emotionele en gedragsproblemen bij hoogbegaafden. Een medicijn tegen hoogbegaafdheid bleef gelukkig voorlopig uit.

Wetenschappelijk onderzoek wijst immers uit dat deze zorgen niet terecht, noch nodig zijn. Ondertussen zijn er nog steeds geen aanwijzingen dat hoogbegaafde kinderen zich slechter voelen of gedragen. Laurie Martin en collega’s vatten in 2010 nog de beschikbare wetenschappelijke literatuur samen en concludeerden dat hoogbegaafden niet vaker depressief zijn of persoonlijkheidsstoornissen hebben, niet vaker zelfmoord plegen, noch vaker aan een aandachtsstoornis zoals ADHD lijden. Het was wèl zo dat hoogbegaafde kinderen bèter met angstklachten omgingen dan andere kinderen. Hoogbegaafde kinderen kunnen dus normale (en ernstige) ontwikkelingsproblemen vertonen, maar niet in grotere mate dan andere kinderen, eerder integendeel. Recent Nederlands onderzoek wees overigens uit dat een jaartje overslaan evenmin emotionele problemen oplevert.

Ook wat betreft de school is er geen reden om bezorgd te zijn over hoogbegaafden. Lubinski volgde een selecte groep van 320 13-jarige hoogbegaafden, die uitzonderlijk scoorden wat betreft wiskundige en verbale vaardigheden. De groep overtrof 10 jaar later hun leeftijdsgenoten spectaculair op een hele reeks gunstige schoolresultaten, wetenschappelijke en technische verwezenlijkingen. Ze deden het uitstekend op school, haalden doctoraten en wetenschappelijke publicaties. Ze hadden veel hogere inkomens en leverden patenten op die gecommercialiseerd werden en economische activiteit veroorzaakten. Hoogbegaafden doen het dus typisch net zeer goed op school, en in hun verdere leven. De vergelijking met de topsporters loopt dan ook mank. Het speciale onderwijs is daar gerechtvaardigd door de nood aan sportinfrastructuur, aparte tijdsinvulling (bv. trainingsschema’s) en bijzondere didactiek buiten de normale eindtermen (bv. motoriek). Bij hoogbegaafden gaat het om cognitieve ontwikkeling. Dit is de kerntaak van elke school, en scholen die niet om kunnen met begaafde leerlingen sluiten dan ook maar beter de deuren.

Er is dus geen reden om medelijden te hebben met hoogbegaafden, maar dit goede nieuws betekent niet dat men deze kinderen zomaar aan hun lot moet overlaten in ons onderwijs, en dat ze zich zelf wel kunnen, of moeten, redden. Ook deze kinderen hebben baat bij, en recht op een optimale ontwikkeling. Zowel zij zelf, als de maatschappij worden daar beter van. Macro-economisch onderzoek wijst uit dat betere cognitieve leerprestaties op school niet enkel goed zijn voor het individu, maar ook samenhangen met meer economische welvaart. Een samenleving die een kenniseconomie wil zijn en een welvaartsstaat wil blijven, moet dan ook zorg dragen voor al haar grijze cellen, ook voor die van begaafde leerlingen.

Het belang van deze privéinitiatieven moet niet overschat worden. Maar ze moeten wèl een signaal zijn dat sommige ouders niet langer het gevoel hebben dat het onderwijs van de overheid er ook nog is voor begaafde kinderen, en niet louter voor leerproblemen en sociale doelstellingen. Indien teveel mensen dit idee krijgen ontstaat het risico dat men denkt dat men voor uitstekend onderwijs en leerkrachten alleen nog terecht kan in een parallel circuit van dure privéscholen, zoals in de Verenigde Staten of Engeland. Ons onderwijs moet dan ook een thuis willen bieden voor die begaafde leerlingen. Men kan bijvoorbeeld groepen differentiëren op basis van hun vaardigheden voor één of meer vakken, of er tenminste voor zorgen dat ook sterke leerlingen elke dag uitgedaagd worden.

De overheid moet dus niet met lede ogen toezien hoe hoogbegaafden emigreren naar een apart, en duur, net. Hoogbegaafden horen op gewone scholen thuis, die hen elke dag uitdagen. Daar worden zij, en de samenleving beter van.

(verschenen in De Standaard, 19 augustus 2015, pdf)

Links wetenschappelijke literatuur:

Comments are closed.

Post Navigation