Soms ligt een trauma goed onder de mat

Pas bij een therapeut kwam Griet Op de Beeck erachter dat ze werd misbruikt door haar vader. Vegen we onze pijnlijke herinneringen te vaak onder de mat, zoals de schrijfster zegt? Praten we nog altijd te weinig? ‘Als je normaal functioneert, heeft het geen zin om te gaan spitten.’

“We zijn geneigd om pijnlijke herinneringen onder de mat te vegen: dat is een sluipend gif.” Dat zei schrijfster Griet Op de Beeck in een interview in Humo deze week, waarin ze – net zoals bij de Nederlandse talkshow De wereld draait door – vertelt dat haar vader haar misbruikt heeft in haar kindertijd. Het is niet de eerste keer dat Op de Beeck het over die mat heeft. In een ander, eerder interview zei ze bijvoorbeeld dit: “We hebben de neiging alles voortdurend onder de mat te vegen. Maar juist door eens diep in de drek te duiken, krijgt je miserie perspectief. Door je vragen te stellen over wie je bent en waarom je zo bent geworden, kun je ingrijpen.”

Die stellingen zijn interessant. Klopt het wat ze zegt? Duwen we akelige, kwetsende gebeurtenissen liever weg dan erover te praten? Moeten we onze mond meer opentrekken over wat we hebben meegemaakt? Of kunnen we soms gerust ook zwijgen?

Ja, de Vlaming praat nog steeds te weinig, hoor je bij elke deskundige die je vragen stelt over dit onderwerp. De cijfers over angst, depressie en suïcide in Vlaanderen blijven erg hoog, ook in vergelijking met andere landen. Medicijnen slikken we massaal, praten doen we veel minder, zegt Filip Raes, klinisch psycholoog, gedragstherapeut en hoogleraar psychologie aan de KU Leuven. En dat terwijl bij psychotherapie het risico op herval vaak kleiner is dan bij geneesmiddelen.

Toch wil dat niet zeggen dat iedereen die een trauma doorgemaakt heeft moét praten. Sommigen hebben er geen behoefte aan, voor anderen staat het zelfs een natuurlijk verwerkingsproces in de weg.

“Als mensen aan een posttraumatische stressstoornis of depressie lijden omdat ze een ernstig trauma hebben meegemaakt – zoals fysiek of psychisch misbruik, een oorlog of een aanslag – dan is een behandeling nodig, en moet die spreekwoordelijke

mat inderdaad worden omhooggetild om terug te keren naar die gebeurtenissen”, zegt Raes. “Maar wat vaak vergeten wordt, is dat het gros van de mensen relatief goed door een trauma komt. Traumatische ervaringen hoeven dus niet noodzakelijk tot problemen te leiden.”

Hoe dat komt? Het heeft met onze eigen weerbaarheid te maken. Sommige mensen zijn kwetsbaarder dan anderen, en hebben niet veel extra ellende nodig om eronderdoor te gaan. Raes geeft het voorbeeld van Anders Breivik, de terrorist die zes jaar geleden 77 dodelijke slachtoffers maakte in Noorwegen, vooral jongeren, door een dubbele aanslag. “Van de overlevende slachtoffers van Breivik kan de helft van hen vandaag een redelijk normaal leven leiden, terwijl ze wel hun vrienden vermoord zagen worden voor hun ogen. Wellicht zijn zij dus net iets weerbaarder.”

Zo kan het ook best zijn dat een vrouw die op het nippertje ontsnapt is aan een brand in haar appartementsgebouw minder last heeft van posttraumatische stress dan de man die in het gebouw aan de overkant de brand voor zijn ogen heeft zien gebeuren, legt Raes uit.

“Kortom, de mat omhoogtillen moet selectief gebeuren. Niet iedereen heeft er evenveel nood aan. Wat de maatstaf is? Als je niet meer functioneert en als je lijdt, dan moet je hulp zoeken. Wat dan zeker niet tegen jou gezegd moet worden, is dat je maar wat sterker en minder flauw moet zijn. Hoe meer je te horen krijgt dat er voor jouw negatieve gevoelens geen plaats is, hoe meer je in de marge wordt geduwd en hoe meer problemen je krijgt.”

Ook getest op mensen

Een anekdote van een vriend. Tijdens een etentje vroeg zijn moeder plots na enkele glazen wijn of zijn grootvader – de inmiddels overleden vader van haar echtgenoot – toch nooit aan hem gezeten had, want dat had de grootvader blijkbaar wel met zijn eigen zoon gedaan. En ineens herinnerde de vriend zich twee scènes, weliswaar onschuldig, maar toch merkwaardig genoeg om er nu aan terug te denken.

Griet Op de Beeck was toen nog niet op tv geweest, maar de getuigenis van de schrijfster – hoe ze er na tientallen jaren en een lijst van 107 secundaire bewijzen is achter gekomen dat haar vader haar misbruikt heeft – heeft bij sommigen de raders in het hoofd doen werken, zo las je hier en daar op social media. Sommige therapeuten geven het ook aan als ze vertellen over de cliënten in hun praktijk: beelden, gesprekken of situaties van vroeger die voordien niet van belang waren, krijgen voor bepaalde mensen ineens een andere dimensie, ook al zijn er geen onmiddellijk aanwijsbare kwetsuren die ze opgelopen hebben.

En dus is dit de vraag: hoe diep moet je graven in jezelf? Hoe vaak en hoe hoog moeten we de matten in ons leven liften? Filip Raes zei het al, kinder- en jongerenpsychiater Lieve Swinnen bevestigt het: “Als je normaal functioneert, heeft het geen zin om te gaan spitten. Sommige kinderen slagen er bijvoorbeeld zelfs onder uiterst moeilijke omstandigheden in om evenwichtig in het leven te staan. Moet je dan de mat bij hen omhoogtillen? Ik denk het niet. Zodra een kind of een volwassene moeilijkheden ervaart, moet het trauma uiteraard wél besproken worden, zodat er aan herstel gewerkt kan worden.”

Wouter Duyck, professor cognitieve psychologie (UGent), wijst ook op het risico dat herinneringen ophalen met zich kan meebrengen. “Het is wetenschappelijk aangetoond dat het mogelijk is om herinneringen in iemands geheugen te planten. Ooit is het een item geweest in het VRT-programma Ook getest op mensen. De deelnemers aan de test werd een foto voorgelegd waarin ze als kind op een tank zaten, en er werd hen gevraagd hoe ze die gebeurtenissen beleefd hadden. ‘Geweldig’, ‘Onvergetelijk’, zeiden ze allemaal, maar de foto was gefotoshopt. Ze hadden nooit op een tank gezeten. En toch dachten ze van wel.”

Duyck verwijst naar de Amerikaanse Elizabeth Loftus, cognitief psycholoog en een autoriteit op het vlak van het menselijk geheugen. Zij bestudeert wat ze valse herinneringen noemt, en heeft met wetenschappelijke experimenten aangetoond dat als je mensen foutieve informatie geeft over een ervaring die ze misschien hadden, je hun herinneringen kunt vervormen, beïnvloeden of veranderen. Of ze zelfs uit het niets creëren.

Duyck waarschuwt voor de rol die therapie kan spelen in onjuiste herinneringen. “Als een therapeut tien keer vraagt aan een cliënt of zijn vader nooit ongepaste handelingen bij hem deed, kan hij een zaadje planten in het hoofd van de cliënt en kan die op den duur echt gaan denken dat hij misbruikt is, ook al heeft er misschien nooit misbruik plaatsgevonden. Waarmee ik voor alle duidelijkheid niet gezegd wil hebben dat de herinneringen van Op de Beeck vals zijn, daar kan ik geen uitspraak over doen. Ik wil alleen aangeven dat therapeuten – eerder dan cliënten – zich bewust moeten zijn van dit proces. Herinneringen zijn puzzels die gelegd worden met de beschikbare stukjes. Als er geen grote mentale problemen waren, moeten therapeuten dit duiden bij cliënten bij wie ineens herinneringen naar boven komen.”

Stigma op suïcide

Maar goed, we praten dus nog steeds te weinig over onze problemen. Toch zou je soms een andere indruk krijgen, als je het aantal BV’s overloopt dat openlijk getuigt over depressies, angststoornissen, verslavingen, burn-outs, ongewenst ouderschap, hoogsensitiviteit of misbruik. Juist, maar dit betekent daarom niet dat er in Vlaanderen gemakkelijk gepraat wordt over gevoelens en problemen, zegt Gwendolyn Portzky, cognitief gedragstherapeut en coördinator van de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek aan de UGent. “Bij de modale Vlaming is vooral schaamte te bespeuren in plaats van openheid. Veel emotionele problemen kunnen nochtans voorkomen worden als we er vroeg genoeg over kunnen praten. Alles opkroppen en alleen proberen op te lossen leidt tot escalatie in plaats van loutering, maar mensen denken blijkbaar vaak het tegendeel.”

Toch lijkt het alsof ook de gemiddelde Vlaming er minder voor terugdeinst om over zijn problemen in het openbaar te praten. Vorige week nog was de dagelijkse poll bij Hautekiet deze: ‘Heb jij al ooit aan zelfdoding gedacht?’ en getuigde een verder onbekende mevrouw hoe ze vijftien jaar geleden net niet bewust tegen een boom gereden was, en nu blij was dat ze haar stuur in laatste instantie toch nog omgegooid had.

Echt comfortabel is het niet om zulke dingen om negen uur ‘s morgens op de radio te horen. Is dit dan de weg die we moeten bewandelen? Toch wel, zegt Portzky. “Wetenschappelijk onderzoek heeft een duidelijke link vastgesteld tussen mediaberichtgeving over suïcide en het aantal suïcides dat er vlak na gebeurt. Na een publieke positieve getuigenis van iemand die de hoopvolle boodschap brengt dat hij het moeilijk heeft gehad maar erdoor gekomen is, zien we vlak erna duidelijk een daling in het aantal suïcides. Na een publieke negatieve getuigenis, zoals bij Steve Stevaert, waar geen enkele hoop gegeven wordt, zien we vlak erna een duidelijke piek in het aantal suïcides.”

Het stigma op suïcide is nog altijd veel te groot, zegt Portzky, en dus is het goed dat in radio- of televisieprogramma’s mensen heel normaal spreken over die periode dat ze met zelfmoordgedachten rondliepen. “We moeten daar even gewoon over kunnen praten als over een burn-out of een kankergezwel.”

Op school leren we lezen, schrijven, rekenen en sporten, maar als mens moet je je ook ontwikkelen om je emoties verbaal te uiten, zegt Thomas Pattyn, arts en psychiater in opleiding aan de universiteit van Antwerpen. Zijn vrouw is leerkracht zedenleer op een lagere school, en de kinderen leren er bijvoorbeeld wat boosheid is, en hoe ze ermee moeten omgaan. “Ik kan me niet herinneren dat ik zelf ooit zulke lessen heb gekregen op school, maar ik denk wel dat het erg belangrijk is. Niet alleen om je emoties te leren uiten, maar ook om te leren in welke situatie je welke emotie met welke intensiteit kunt uiten.”

Volgens Pattyn maakt de maatschappij een groeiproces door in het leren omgaan met gevoelens, en lijkt er in deze stap van dat proces meer aandacht te zijn voor het publiek bespreekbaar maken van trauma’s. Of dat een goeie zaak is? “Dat weet ik niet. Voor sommige mensen zal het een opstapje zijn om zelf hulp te zoeken voor een probleem. Anderen worden misschien angstig, en zouden kunnen denken dat bijna iedereen depressief of suïcidaal lijkt. Pas later zullen we kunnen beoordelen of deze fase nuttig was of niet. Alleszins lijkt het toch alsof de culturele norm van Vlaanderen – zwijgen in plaats van praten – aan het veranderen is.”

Boek voor ministers

Is het dan een kwestie van generaties? Vorig weekend formuleerde bioloog Midas Dekkers het in een interview in de Volkskrant nog zo toen hij het over zijn familie had: “Wij zijn niet zo therapiegaanderig. Wij nemen een borrel, ha.” Dekkers komt uit een gezin waar fysiek en emotioneel misbruik plaatsvond, maar drinken vindt hij handiger dan praten. Hij is dan wel een Nederlander, Dekkers lijkt te vertegenwoordigen wat de generatie voor ons deed: kop in kas, verder werken en vooral niet zeuren. Heeft deze generatie het andere uiterste bereikt? Praten we niet te veel over onze trauma’s en problemen?

Zeer zeker niet, klinkt het overal. Het aantal depressies neemt alleen maar toe, legt Filip Raes uit, en ja, wellicht speelt daar de factor mee dat meer depressies gerapporteerd worden dan vroeger, maar dat verklaart niet alles, zegt hij.

“Ik ben 56, mijn moeder is 90, en de manier van communiceren is inderdaad veranderd in enkele generaties,” zegt Lieve Swinnen, “maar we praten nog altijd vooral over onze buitenkant, niet over onze emoties.” Swinnen benadrukt nog eens dat het nochtans erg nodig is. “Er zijn nog nooit zoveel kinderen met psychische problemen geweest als nu. En nee, dat komt niet omdat er nu meer aandacht voor problemen is. De oorzaak is niet het praten, wel het leven dat veel complexer is dan vroeger, en de lat die erg hoog ligt. Vroeger was het leven veel voorspelbaarder. Kinderen van nu groeien op in een tijd waarin zo goed als alle structuren zijn weggevallen, ze overprikkeld worden en ze massa’s keuzes hebben. Om met die complexe maatschappij te kunnen omgaan, moeten we leren praten. Het is echt hoog tijd dat we onze kinderen leren dat je problemen maar oplost door te communiceren.”

Ook goed voor de economie, trouwens, concludeert Filip Raes. “Vanaf eind volgend jaar is er eindelijk een budget van de federale regering voor de terugbetaling van therapie. Een budget van 22 miljoen euro. Dat is belachelijk weinig om het grote aantal mensen dat hulp nodig heeft te ondersteunen. Als je weet dat één sessie tussen 50 en 75 euro kost, dan weet je ook dat veel mensen die zorg niet kunnen of willen betalen. Welk signaal geeft een minister van Volksgezondheid eigenlijk aan een bevolking als medicatie wel wordt terugbetaald maar psychotherapie niet?

“Ik verwijs graag nog even naar het boek Thrive van econoom Richard Layard en psycholoog/cognitief-gedragstherapeut David Clark. Zij becijferen hoe een forse investering in geestelijke gezondheidszorg de economie uiteindelijk zeer ten goede komt. Een boek dat op het nachtkastje van Jo Vandeurzen, Maggie De Block en Hilde Crevits zou moeten liggen.”

SOFIE MULDERS, verschenen in De Morgen, 30 september 2017, PDF

Share on Facebook0Tweet about this on TwitterEmail this to someoneBuffer this pageShare on LinkedIn0Share on Google+0Print this page

Comments are closed.

Post Navigation