We zijn te naïef geweest over integratie

Jarenlang zette Dirk Van Damme (61) mee de bakens van het Vlaamse onderwijs uit. Wat hij vandaag ziet, baart hem zorgen. ‘Ons taalbeleid voor migrantenleerlingen is in het algemeen te laks geweest.’

Als Dirk Van Damme spreekt, luistert de hele onderwijswereld. Hoewel hij immer genuanceerd formuleert, klinkt er de laatste tijd somberte en urgentie door in zijn tussenkomsten in het onderwijsdebat. De huidige OESO-topman voor onderwijs werkte jarenlang op sleutelposities in het Vlaamse onderwijsbeleid, onder meer als kabinetschef van minister Frank Vandenbroucke (sp.a).

Van Damme noemt zich nog altijd sociaaldemocraat, maar kijkt met gemengde gevoelens terug op het beleid waarvoor hij mee verantwoordelijk tekende. De druk bediscussieerde zwakke prestaties van Vlaamse basisschoolleerlingen op het vlak van begrijpend lezen verontrusten hem zeer. Maar verrassen doen ze hem niet. “We zijn niet het enige land waar het onderwijsniveau onder druk staat, maar andere landen pakken zulke uitdagingen ernstiger aan. We dreigen zelfgenoegzaam te zijn.”

Wat is het probleem?

Dirk Van Damme: “Gelijke kansen zijn de volle prioriteit geweest, en terecht wat mij betreft, maar het resultaat blijft mager. We krijgen de onderste groep leerlingen niet naar een hoger niveau. De aanpak heeft onvoldoende gewerkt. We hebben ons daarop blindgestaard. Sommigen vinden het belangrijker dat we bezig blijven met gelijke kansen dan dat we resultaten boeken.

“Wat me zorgen baart, zijn de enorme kwaliteitsverschillen in het Vlaamse onderwijs. Het gemiddelde presteert nog goed en de top, ondanks dalingen, ook, maar die onderkant blijft steken op een heel laag niveau.”

Wat kunnen we daaraan doen?

“Ik pleit voor een centraal examen aan het einde van het secundair onderwijs, voor alle scholen en leerlingen gelijk. Je moet vermijden dat scholen onder een bepaalde lat zakken. Vandaag kan ons kwaliteitssysteem dat niet voorkomen.

“Als een school aan het wegzinken is, duurt het vijf tot tien jaar voordat er knipperlichten gaan branden. Eerst komt de inspectie langs, er volgt een verbetertraject, waarna er uiteindelijk misschien een dossier op tafel van de minister komt om die school te sluiten. Maar dat gebeurt nooit, omdat je dan ook kansen wegneemt en je vaak geen alternatieven in de buurt hebt. Het resultaat is dat er niets gebeurt. Er zijn te veel scholen die, onder meer doordat er veel leraren vertrekken, onder de maat gaan. En het gaat dan lang niet altijd over concentratiescholen.”

Voor een centraal examen is er geen draagvlak binnen deze regering. Ook de koepels staan niet te springen.

“Ik volg de helaas overleden Jaap Dronkers (Nederlandse onderwijssocioloog, RA/BE), ook een sociaaldemocraat. Hij zei, na uitgebreid onderzoek, dat een centraal examen de beste manier is om de onderkant mee te krijgen en de kansen van kwetsbare leerlingen op kwaliteit te verbeteren.

“In Vlaanderen bestaat de kwaliteitscultuur op veel scholen, maar niet op systeemniveau. De autonomie van de scholen is te extreem ingevuld. Leraren examineren volledig autonoom en scholen diplomeren autonoom. We hebben geen enkel zicht op de standaarden die daarbij worden gehanteerd. Dat bestaat nergens anders.”

U maakt zich zorgen over het gebrek aan echte gelijke kansen. Uit conservatieve hoek klinkt de klacht dat juist te weinig naar de top, naar excellentie en ambitie wordt gekeken.

“Excellente leerlingen worden te weinig uitgedaagd. Met dat deel van het conservatieve discours ben ik het eens. Leraren hebben in de klas de focus in zijn geheel naar het midden verschoven. Ik aarzel om het woord nivellering te gebruiken, maar ik ken wel degelijk leerkrachten die aangeven dat ze het niveau hebben verlaagd om meer mensen kansen te geven. Dat was nooit de bedoeling. Zo raken de minder presterende leerlingen ook niet geholpen. Hun onderwijskansen worden nog altijd in sterke mate bepaald door de socio-economische achtergrond. We gooien zo talent weg, terwijl onderwijs die kansen juist zou moeten verdelen. Ik blijf dat een enorm ernstig probleem vinden.”

Acht u zichzelf verantwoordelijk voor die mislukking?

“Het is een persoonlijke frustratie. Frank Vandenbroucke was zich erg bewust van het risico dat de focus op kwaliteit zou vertroebelen. Hij heeft altijd gehamerd op het hoog houden van de lat.

“We zijn te naïef geweest over integratie. We hebben veel ingezet op een positief ondersteuningsbeleid. Daar zitten goede elementen in, maar de kritiek is nu deels terecht. Als je puur naar de cijfers kijkt, overweegt het gevoel van mislukking. De kloof tussen anderstaligen en wie thuis Nederlands spreekt, is hier de grootste van alle OESO-landen. (zucht) De context is natuurlijk breder: Vlaanderen is pas in die tijd gestart met een inburgeringsbeleid. Daardoor hebben we de uitdaging in het onderwijs onbedoeld onderschat.”

Waar had de lat hoger gemoeten?

“Bij de taalkennis. Daarom reageer ik zo fors in de discussie over de plaats van de moedertaal op school. Ons taalbeleid voor migrantenleerlingen is in het algemeen te laks geweest. Daar zit voor mij de verklaring voor de enorme prestatiekloof. We zitten nog altijd met een zeer grote groep gezinnen en migrantenouders die thuis geen Nederlands spreken. In andere landen is dat sterker aangepakt. Daar beheersen families na een of twee generaties toch de taal van het land goed.

“Velen zullen zeggen dat die leerlingen zich kunnen behelpen. Maar het gaat om taalrijkdom. Als je vergelijkt hoeveel woorden zij kennen, dan is het pover gesteld met onze migrantenleerlingen. Die taalrijkdom is noodzakelijk voor cognitieve ontwikkeling en kans op werk. Het is voor mij ook een emancipatie-element. Ik ben hierin sterk geïnspireerd door Paulo Freire (Braziliaanse onderwijshervormer, RA/BE). Je moet mensen de taal geven als instrument om zelfredzaam te worden en de wereld te kunnen beïnvloeden. Je mag daar niet relativistisch of nonchalant over doen. Dit zal sommige van mijn progressieve vrienden tegen de borst stuiten, maar we zijn daarin te laks geweest. We hebben te weinig gehamerd op een aantal elementaire aspecten van inburgering.”

Dreigt taal geen uitsluitingsmechanisme te worden als de lat meteen aan de schoolpoort te hoog gelegd wordt?

“Taal is een machtsinstrument en kan vormen van uitsluiting met zich meebrengen. Maar je kunt mensen daar alleen maar tegen wapenen door hen naar een hoog niveau te brengen. Het grootste probleem is dat mensen in ons onderwijs, ook leraren, te snel tevreden zijn met wat je bij migrantenleerlingen kunt bereiken op het vlak van taal. Ze zijn tevreden met een te laag niveau en hebben daar een ideologie van meertaligheid rond gebouwd. Als we spreken over zesjescultuur, dan gaat het over te snel gelukkig zijn met een resultaat dat eigenlijk niet goed genoeg is.”

Hoezo, ‘ideologie’?

“De eerste generatie eindtermen was te radicaal en veel te taalrelativistisch. Spelling en structuur van taal waren niet meer zo belangrijk. Als een leerling zich kan beredderen, is het oké. Mensen die nu in inspecties en begeleidingsdiensten zitten, komen uit die ideologische school. Daar is heel weinig intellectuele tegenwind op gekomen. Zelfs al denkt de overheid anders, dan nog is dat middenniveau zo krachtig geworden dat zij nog altijd voorschrijven wat er in klassen gebeurt. Ik vind dat pervers. Het hele dogma van meertaligheid is voor hen een soort missioneringsstreven. De overheid moet daar sterker tegen ingaan. Ze moet via de eindtermen zeggen dat het belangrijk is dat mensen op een hoog niveau het Nederlands beheersen.”

Wie met meer zelfvertrouwen zijn thuistaal spreekt, is meer vatbaar voor een nieuwe taal. Dat is toch wetenschappelijk aangetoond?

“Ja, als je het zo beschouwt, ben ik ook voor meertaligheid. Natuurlijk wil ik een hoog ontwikkeld taalgevoel in het Nederlands, de moedertaal én verschillende vreemde talen. In de praktijk gaat het vaak puur om nonchalance. Het resultaat is dat veel migrantenjongeren het een noch het ander hebben. Als je mensen dat instrument niet geeft, dan is de kans groot dat ze uitgesloten blijven worden. Dat gezegd zijnde: taal opent niet alle deuren. Er is wel degelijk discriminatie en racisme in de samenleving, ook in het onderwijs.”

Is het onderwijs te zacht geworden?

“Een delicate stelling, maar: ja. Leerplezier ervaar je pas als je een uitdaging overwint. Er zijn nog altijd veel scholen die de leerlingen uitdagen. Maar het idee dat welbevinden haaks staat op ambitie, is fundamenteel fout. De slinger is te ver doorgeslagen nadat we ons bevrijd hebben uit een te streng opvoedingsideaal. Je voelt dat nu weer naar een nieuwe balans wordt gezocht. Prima.”

Een recent doctoraatsonderzoek suggereert dat er wel degelijk kwaliteitsverschillen bestaan tussen het Gemeenschapsonderwijs en het katholiek onderwijs. Wat denkt u, als oud-topman van het GO!?

“Ik heb een warm hart voor het GO! maar ik moet bekennen dat het kwaliteitsstreven sterker aanwezig is in het katholiek onderwijs. Ze spreken ook deels een ander publiek aan, maar ik vind dat geen belangrijk argument meer. Het GO! krijgt gemiddeld te maken met een lager socio-economisch kapitaal aan leerlingen, maar het katholiek onderwijs heeft de kwaliteitscultuur sterker kunnen behouden. In het GO! zijn er scholen die uitstekend werk leveren, maar over het algemeen is er meer tolerantie voor lage kwaliteit. Men is er in het pedagogisch denken te veel geëvolueerd naar het discours over geluk en welbevinden die de kwaliteit, naar mijn mening, mede ondergraaft.”

Conservatieve stemmen lijken aan kracht te winnen. Ook in het onderwijs lijkt de cultuurstrijd te kantelen.

“We komen uit decennia van vage consensus. Dat knelt nu. Internationaal daagt de conservatieve onderwijsideologie de consensus al langer uit. We moeten daar niet bang voor zijn. Toen N-VA-voorzitter Bart De Wever zich kritisch uitsprak over de hervorming van het secundair onderwijs, is daar te verkrampt op gereageerd. Terwijl hij in feite ook een aantal verstandige dingen heeft gezegd. Als er sneller geluisterd was naar het terechte deel van zijn kritiek, was de hervorming wellicht sneller en beter uitgevoerd.”

Met welk deel van de analyse van De Wever

en co. bent u het niet eens?

“De conservatieve strekking, zeg maar de N-VA-visie, neemt soms te gemakkelijk een aantal elementen uit de rechtse Angelsaksische onderwijsfilosofie over. Met Theodore Dalrymple (Britse conservatieve schrijver, RA/BE) bijvoorbeeld komen we in Vlaanderen niet ver.

“Dalrympelianen bestrijden de gedachte dat wie ogenschijnlijk weinig talent heeft toch ook tot een hoger niveau kan worden gebracht. Inspanningen voor mensen die onderaan de ladder staan, zijn voor hen weggegooid geld. Eigenlijk gaat de discussie over pedagogisch pessimisme versus pedagogisch optimisme. Ik ben een optimist. Ik vind dat je mensen, los van het kapitaal dat ze meekrijgen, tot ongelooflijke hoogtes kunt brengen. Ik vind dat tot 70 of 80 procent van alle leerlingen nadien hoger onderwijs zou moeten kunnen volgen.”

U gaat nu in tegen cognitief psycholoog Wouter Duyck (UGent). Hij spreekt van een erfelijke intellectuele kloof.

“Ik acht professor Duyck hoog. Hij zet mij aan het denken. Hij stelt dat spreiding van kansen ook komt door de erfelijke verdeling van intelligentie. Ten dele is dat juist. De impact van sociale achtergrond verklaart slechts een relatief klein deel van de spreiding van onderwijskansen en -resultaten. Als je kijkt naar de intelligentie, dan daalt het aandeel van sociale achtergrond in de verklaring van ongelijke onderwijskansen. Het is meteen de reden waarom ik nu stel dat we ons daarop hebben blindgestaard. De zorg voor excellente leerlingen is verwaterd, onbedoeld ook een beetje onder invloed van de gelijkekansenfilosofie.”

Maar…

(glimlacht) “Ik verschil met Duyck ook wel van mening, omdat ik meen dat je ook mensen met minder talent verder kunt brengen dan nu het geval is.

Wat moeten we doen om afkomst te verslaan?

“Op die vraag hebben we geen antwoord. Er bestaat een arsenaal aan beleidsmaatregelen, maar over veel ingrepen bestaan vandaag twijfels. De brede eerste graad is een goed voorbeeld. Voor mij is dat een typisch 20ste-eeuws antwoord. Toen het secundair onderwijs in omvang enorm groeide, was dat een verstandig antwoord. Maar nu de participatie compleet is, moet je individueler werken. Dan is differentiatie belangrijker. Uitstekende scholen in binnen- en buitenland laten zien wat het recept is om de afkomst te verslaan: door juist zeer ambitieus te zijn en kansen te geven aan de heel diverse talenten en mogelijkheden van individuele leerlingen, niet door ze allemaal op dezelfde manier te behandelen.”

Dus op dit punt had Bart De Wever wel gelijk?

“Zeer zeker. In de beginfase van de hervorming, die nog onder Vandenbroucke op poten werd gezet, hadden wij een redelijk naïef geloof in de brede eerste graad, het afschaffen van de schotten tussen de richtingen en het uitstellen van de studiekeuze. Velen zien dat nog steeds als de essentie van een progressief onderwijsbeleid. Ik vind het jammer dat de sp.a daar geen afstand van kan nemen. Kijk eens naar Schotland. Daar is een breder systeem met goede resultaten, maar er wordt vanaf het eerste jaar enorm gedifferentieerd.”

In Schotland hebben ze ook fel ingezet op de leerkrachten, terwijl bij ons de minst ervaren leerkrachten het vaakst voor de moeilijkste klassen komen te staan.

“Het is een van onze grootste handicaps. Een beter lerarenbeleid moet prioriteit zijn. Jammer dat dit ook onder minister Crevits (CD&V) op de lange baan is geschoven. Ook in deze legislatuur zal men niet meer komen tot dringend noodzakelijke maatregelen. Dit debat vergt politieke moed. Er zullen heilige huisjes moeten sneuvelen.”

Welke?

“De allocatie van leraren: wie gaat op welke plek lesgeven? Met een gedifferentieerd loonbeleid zou je dat beter moeten kunnen sturen. Je moet leraren beter verlonen als de uitdaging groter is. Aan de progressieve zijde wordt dit zwaar onderschat. Dat sommige scholen hun leerlingen selecteren, is niet het grote probleem, wel dat scholen elkaar beconcurreren om de beste leraren. Dat pas afgestudeerden voor de leeuwen worden gegooid, en daardoor weer snel weg willen, is pervers. We zien dat in geen enkel ander land. Nergens is de aanstelling van leraren zo decentraal geregeld. Het is een vrije markt van scholen die concurreren met comfort en uren. Goede scholen kunnen het zich zo permitteren om alleen de beste leraren aan te nemen. De perverse effecten van dat systeem dreigen nog verder toe te nemen met het naderende lerarentekort.”

Waarom wordt er niet ingegrepen?

“Geen enkele onderwijsminister heeft een doorbraak kunnen realiseren. Vakbonden en werkgevers zijn objectieve bondgenoten in de obstructie. De vakbonden zien loondifferentiatie als achteruitgang van sociale rechten, terwijl de werkgevers hun volledige autonomie willen behouden.”

Wordt de vrijheid van onderwijs dan te ruim ingevuld?

“De vrijheid van onderwijs is een van de verklaringen waarom ons systeem goed functioneert. Maar zodra mensen dat extreem gaan invullen, kom je in de problemen. De koepels hebben wat te veel macht. De overheid aarzelt meer. Het is de kern van de discussie over de invulling van de eindtermen. Natuurlijk moeten scholen invulling geven aan de eindtermen. Maar als je die eindtermen niet op een ambitieuze en krachtige manier vastlegt, ontstaat er een onderwijsveld waarbij je de facto privéonderwijs hebt binnen een publiek bestel. Nu, ik ben een optimist. Vandaag is er ten minste een oprechte bekommernis in het parlement over de eindtermen. De vorige keer werd er enkel gepraat over de vraag of het ‘zwemmen’ moet zijn of ‘voortbewegen in het water’.”

Hoe heeft de minister het tot nu gedaan?

“Goed, vind ik. Ze mocht soms wat krachtiger zijn – denk aan dat lerarendossier. Maar haar traject is grosso modo vrij positief geweest.”

(verschenen in De Morgen, 27 januari 2018, PDF)
Share on Facebook0Tweet about this on TwitterEmail this to someoneBuffer this pageShare on LinkedIn0Share on Google+0Print this page

Comments are closed.

Post Navigation