Het Laatste Nieuws: “We missen toppers in de klas”

Confronterend. Er is geen woord dat beter past bij de grafieken die u op deze twee pagina’s ziet staan. Het lijkt zelfs wat moeilijk te geloven: loopt de leerling van 2018 écht achter op die uit 2003? We analyseerden 22 testen, deden een ronde langs wetenschappers en spraken met 20 leerkrachten. De waarheid is ongemakkelijk. En ligt bovendien bijzonder gevoelig. DEEL 1: DE KENNIS VAN LEERLINGEN BROKKELT AF

Aan de top van het Vlaamse onderwijs hebben ze er de voorbije jaren grijze haren van gekregen. Iedere keer een journalist de resultaten van één of andere test in zijn mailbox kreeg, zag hij of zij zich genoodzaakt een onheilspellend artikel te schrijven. Begrijpend lezen? Een klein drama, mensen! Wiskunde? Het gaat stevig achteruit! Frans? Vlaamse leerlingen kunnen amper nog

een tekst lezen! Experts probeerden te duiden en de topmensen in ons onderwijs te sussen. Ministers namen maatregelen op het niveau van ieder vak waarvoor de resultaten achteruitgingen. Een werkgroepje hier, een aanpassing van de eindtermen daar. En vervolgens ging de storm weer liggen. Zelden keek iemand naar het héle plaatje. Nooit werden alle resultaten eenvoudigweg naast elkaar gelegd. Wie dat wel doet, stoot op een zeer ongemakkelijke waarheid.

We gingen aan de slag met 22 testen verspreid over 11 vakken. Geen eigenzinnige selectie, maar een samenvatting van alle proeven die minstens één keer herhaald werden en die ons dus een evolutie kunnen tonen. Sommige werden internationaal afgenomen, andere enkel op Vlaams niveau. De ene keer werden leerlingen getest op het behalen van de eindtermen (het absolute minimum van wat ze moeten kennen), de andere keer op kennis. Bepaalde proeven richtten zich op de lagere school, andere op het secundair onderwijs. De jongste test is amper enkele maanden oud, de oudste test dateert van jaren geleden. Om maar te zeggen: het verschil aan resultaten is groot. De enige gelijkenis? Onze leerlingen dalen. In iedere test. Voor ieder vak. Op elk onderwijsniveau. En voor álle lagen van onze bevolking. Laat dat even inzinken.

Internationaal nog oké

Toegegeven, internationaal scoort ons onderwijs nog steeds bovengemiddeld goed. En de daling gaat ook niet overal even hard. In sommige proeven gaat het over slechts enkele punten of procenten. Andere testen zijn echter dramatisch. Wiskunde, begrijpend lezen en Frans in het lager onderwijs, bijvoorbeeld. Daar zakt het aantal leerlingen dat de eindtermen haalt spectaculair. Voor Frans zijn de eindtermen in 2010 weliswaar naar boven bijgesteld, maar zelfs als je dat in rekening brengt, is de daling significant. Voor wiskunde lopen leerlingen op liefst negen geteste onderdelen achterstand op en voor begrijpend lezen daalt geen enkele regio harder dan Vlaanderen. In het secundair onderwijs is de opvallendste daling die voor wiskunde, maar ook op vlak van informatieverwerking, leesvaardigheid, economie en wetenschappen gaan scholieren achteruit. Het besluit is even logisch als pijnlijk: ons onderwijs boert achteruit. Daar is zelfs wetenschappelijke consensus over.

“Ons onderwijs heeft achterstand opgelopen”, knikt Bieke De Fraine, onderwijskundige aan de KU Leuven. “Zo moet je die testen interpreteren. We doen het minder goed dan vroeger.” Haar collega aan de VUB, Wim Van den Broeck, draait het mes nog wat dieper in de wonde. “Mijn voorspelling is dat de volgende peilingen verder in dalende lijn zullen gaan. Ik ben zeker geen cultuurpessimist, maar je kan niet naast de realiteit kijken. We gaan een moeilijke periode tegemoet in het onderwijs.”

Wouter Duyck van de UGent maakt zich vooral zorgen over het lager onderwijs. “In het secundair dalen we ook, maar minder fors. Wat mij betreft, is er in het lager onderwijs wél een ramp bezig.”

Ook Dirk Van Damme, onderwijsexpert bij de OESO, kijkt zorgelijk naar de daling. En onderwijssociologe Mieke Van Houtte van de UGent is minder uitgesproken, maar geeft toe dat het er niet fraai uitziet. “Dat er een probleem is, dat is wel zeker.” Bij de onderwijskoepels bekennen ze dat de dalingen “niet positief” zijn. Al plaatsen ze wel graag kanttekeningen. Iedere test is een momentopname, vinden ze. En met testen kan je sowieso niet álles meten. Ze hebben gelijk. Wie weet bestaat de daling van het niveau louter op papier?

Directie leest mee

Om dat na te gaan, contacteerden we willekeurig 20 leerkrachten. Ze komen uit verschillende onderwijsnetten, geven verschillende vakken en staan voor de klas in verschillende buurten. Ze hebben slechts één ding gemeen: ze dragen allemaal een rugzakje met minstens 10 jaar ervaring in het onderwijs. Met ieder van hen spraken we een halfuur tot een uur. En bij iedereen begonnen we het gesprek met dezelfde vraag: ‘Merkt u bij uw leerlingen een daling van de kennis?’ 18 van de 20 antwoordden bevestigend. Sommigen deden dat zeer expliciet, anderen

voegden er nuances aan toe. Maar niemand ontkent dat de brede basiskennis klappen heeft gekregen. Die vaststelling ligt echter gevoelig. Meerdere leerkrachten die tijdens het gesprek vrank en vrij hun mening gaven over de niveaudaling, stuurden ons achteraf een mailtje. Of we hun uitspraken alsjeblief wilden afzwakken. Anderen voegden verregaande nuances toe of wilden enkel nog anoniem getuigen. “De directies lezen mee”, zuchtten sommigen. Of hoe – zelfs in ons onderwijs – vrijheid van meningsuiting niet altijd vanzelfsprekend is.

Steeds minder ‘ankers’

“Het thema ligt enorm gevoelig”, bevestigt Dirk Van Damme, onderwijsexpert bij de OESO. “Bij de leerkrachten, bij de vakbonden, bij de koepels… Individueel gaan leerkrachten nog wel toegeven dat er wat schort aan het niveau van ons onderwijs, maar de organisaties en de vakbonden zullen veel genuanceerder spreken en tegengas geven. Je ziet dat ook bij minister van Onderwijs Hilde Crevits. Die zal altijd zeggen dat we wereldtop zijn, dat onze leerkrachten heel hard hun best doen en dat de scholen alle moeite doen om in een hevig veranderende samenleving overeind te blijven. Maar dat is eigenlijk vergoelijkend voor het probleem. Men erkent het niet echt.” De minister zelf ontkent dat ze iets onder de mat wil vegen. “Maar doemdenkerij heeft nog nooit een probleem opgelost”, vindt ze. “Hervormingen

in onderwijs zijn per definitie een werk van lange adem. Met de vele maatregelen die we nemen, leggen we net de vinger op de wonde.” Desondanks leeft er een taboe rond het onderwerp en zijn leerkrachten uiterst voorzichtig. Al belet dat de meerderheid niet om toch vrijuit te babbelen.

Dirk Saeys staat 15 jaar in het onderwijs en wisselde al een aantal keer van school. Vandaag staat hij in een lyceum in Antwerpen waar hij fysica geeft, maar voordien gaf hij ook wiskunde, chemie en biologie. “Ik merk doorheen mijn carrière dat de trend dalende is”, geeft hij toe. “En ik stel ook bij mijn collega’s vast dat er meer frustraties komen. We moeten almaar meer tijd steken in het leggen van een basis.” Voor zijn school – in een grote stad – speelt de toename aan anderstaligen en kinderen uit kansarme gezinnen een rol, maar Dirk ziet dat zeker niet als enige factor. “Ook de instroom uit het basisonderwijs is veranderd. We merken daar een niveaudaling. Zeker de kennis van Nederlands en wiskunde is minder groot dan vroeger.”

Dirk mist de laatste jaren vooral toppers in zijn klas. “Ik noem die leerlingen mijn ankers”, legt hij uit. “Het zijn jongeren naar wie anderen kunnen opkijken. Hun aanwezigheid heeft een positief effect in een klas. Ze trekken de rest wat meer naar omhoog en er ontstaat automatisch een veel constructievere sfeer. Ik zag tien jaar geleden helaas vaker ‘ankers’ in mijn klas zitten dan vandaag.” Hij wordt daarin bijgetreden door een collega uit Tienen. Andy Reniers is al 15 jaar chemieleraar in een atheneum. “Ik merk absoluut een evolutie. Het niveau voor wetenschappen is een stuk achteruitgegaan. Met een paar uitzonderingen, uiteraard. Degene die er écht voor willen gaan, die kunnen zich nog zeker meten met die van tien jaar geleden. Maar vroeger was die toplaag groter. Je had meer van dat soort leerlingen in één klas.”

Te veel vaardigheden

Niet enkel in het ASO voelen ze de daling. Verschillende leerkrachten die in het TSO en BSO lesgeven, stellen hetzelfde vast. Eén van hen is Karien Beernaert. Ze geeft in Izegem al 21 jaar les in het beroepsonderwijs. Als leerkracht ‘Project Algemene Vakken’ is ze verantwoordelijk voor het verbreden van de kennis van leerlingen die meestal in zeer praktijkgerichte klassen zitten. “Al van in het eerste middelbaar is de niveaudaling merkbaar”, vertelt ze. “Ik heb vrienden die lesgeven in het basisonderwijs en in de eerste graad middelbaar. Ze klagen allemaal over hetzelfde: dat het niveau naar beneden is gegaan.” Karien stelt vast dat de nadruk zeer sterk op vaardigheden is komen te liggen. Soms tot in het absurde. “Als pedagogische begeleiders vroeger op bezoek kwamen, dan gaven ze algemene richtlijnen. Nu zeggen ze expliciet: ‘Op uw examens niet te veel kennisvragen stellen hé.'” Karien geeft een voorbeeld.

“Er was een examenvraag waar ik leerlingen vroeg om de verschillende stappen op te schrijven die ze moeten volgen om iemand te reanimeren. Een pedagogische begeleider zei me: ‘Je moet toch niet ál die stappen vragen? Als ze er eentje kennen, is het goed genoeg.’ Dat vind ik absurd. Je kan toch niemand reanimeren als je slechts één van de vijf stappen kent?”

Volgens Karien is zij lang niet de enige die de voorbije jaren te horen kreeg dat examens minder gefocust moeten zijn op kennis. “Ik hoor bij andere leerkrachten dezelfde opmerkingen. Neem nu Frans. Ze moeten die taal wel nog kunnen praten, maar de woordjes moeten ze niet meer uit het hoofd leren. Ik ben het ermee eens dat er vroeger veel papegaaienwerk was, maar nu zitten we aan het andere uiterste. Je móet vaardigheden aanbrengen en ze moeten zélf leren opzoeken, maar ze moeten toch ook nog kennis opdoen over bepaalde onderwerpen?”

Een collega van Karien die wiskunde geeft in het kunstonderwijs in Oost-Vlaanderen, merkt eenzelfde trend bij de pedagogische begeleiding. Hij praat liever anoniem. “Het niveau is duidelijk gezakt”, begint hij. “En voor verschillende vakken, want ik hoor hetzelfde bij collega’s. De leerstof moet vandaag zo aangenaam mogelijk gemaakt worden. Het accent in het onderwijs is meer verschoven naar begeleiding in plaats van naar prestatie. Kennis

kunnen toepassen is tegenwoordig belangrijker dan abstract kunnen denken. Maar kennis toepassen, is enkel mogelijk als je het voldoende aangeleerd krijgt en als je kan terugvallen op een solide basis.”

Die ‘mind shift’ in ons onderwijs is twintig jaar geleden op gang gekomen en vertaalt zich het sterkst in ons basisonderwijs. Voor Ria Van Mol, die al 35 jaar lesgeeft op een college in Schoten, zijn de effecten ondertussen duidelijk voelbaar. “Ik hoor van mijn collega’s uit de eerste graad dat de leerlingen die in het middelbaar toekomen, andere competenties hebben dan vroeger. De leerlingen kunnen moeilijker iets uit het hoofd leren, wat bijvoorbeeld voor een vak als Latijn problemen geeft.”

Basis bijbrengen

Zelf geeft Ria aardrijkskunde. En ook zij kan vandaag minder van haar leerlingen vragen dan 15 jaar geleden. Ze geeft een voorbeeld. “In het vijfde jaar geef ik in het eerste semester lessen over kosmografie. Vroeger liet ik leerlingen een onderwerp in verband met de ruimte kiezen. Ze moesten zich daar dan in verdiepen en er een artikel over schrijven. Voor dat soort opdrachten heb ik nu geen ruimte meer omdat ik extra tijd moet investeren in het bijbrengen van basisleerstof.”

Ook in Ria’s lessen ligt de nadruk vandaag meer op het toepassen van de kennis. “Veel meer dan vroeger gaat het nu over het analyseren van bronnen. Het zwaartepunt is verschoven van kennis naar vaardigheden en inzicht. Dat is op zich een positieve evolutie, maar ik vind dat het aspect kennis niet mag worden verwaarloosd.”

Kathleen Schepens voelt de gevolgen van die evolutie in haar lessen Latijn en Grieks. Ze is al 25 jaar aan de slag in het onderwijs op een secundaire school in Oost-Vlaanderen en ziet de uitdaging toenemen. “Het heeft onder meer te maken met hoe men in de lagere school werkt. Daar heeft men serieus vernieuwd en het secundair volgt nog niet. Leerlingen kunnen geen zinsontleding meer, omdat ze het niet hebben gekregen in de lagere school. En voor Latijn heb je toch een stevige, grammaticale basis in het Nederlands nodig. Sommige zaken worden echter niet meer aangeboden. Dat betekent dat een aantal inzichten in het Nederlands eerst nog door ons moeten worden bijgebracht vooraleer we kunnen overgaan naar het Latijn.”

Kathleen vindt wel dat het niveau van leerlingen op andere vlakken gestegen is. “Er zijn andere dingen in de plaats gekomen. We moeten er enkel over waken dat we de kar niet voor het paard spannen.”

Roepende in woestijn

Voor wetenschapper en onderwijsexpert Wouter Duyck van de UGent is het daarvoor echter al te laat. Hij trekt al een tijdje aan de alarmbel. “De eerste stukken over die afkalving van onze resultaten schreef ik drie, vier jaar geleden al”, zucht hij. “Toen was ik een roepende in de woestijn. Vandaag merk je dat mensen zich beginnen af te vragen of er toch niet meer aan de hand is. Meestal moet er eerst een ramp gebeuren, vooraleer men in actie schiet.”

Wat Duyck vooral stoort, is dat er zo weinig aandacht is voor het feit dat onze top afkalft. Het verhaal dat leerkracht Andy uit Tienen en leerkracht Dirk uit Antwerpen met ons deelden – dat ze het aantal toppers in hun klassen fors zien dalen – probeert hij al jaren onder de aandacht te brengen. “Het is een algemene tendens dat we aan de top dalen, maar bij ons gaat het debat over onderwijs altijd zeer sterk over de ‘onderkant’. Over de jongeren die het moeilijk hebben. Men doet daar veel inspanningen voor en dat is een goede zaak, maar de neergang aan de bovenkant van ons onderwijs wordt straal genegeerd.” Tania Folie, een leerkracht uit het basisonderwijs in Brugge die actief is in verenigingen voor hoogbegaafdheid, bevestigt dat er maatregelen nodig zijn voor kinderen met een hoog IQ. “Het verontrust mij dat ook de hoogbegaafde kinderen in het algemeen lager scoren. Organisaties als Eduratio en Exentra trekken al een tijd aan de alarmbel. Er zijn meer middelen nodig voor die doelgroep.” Duyck vult aan. “Als Vlaanderen een kenniseconomie wil zijn, dan hebben

we zeer sterke leerlingen nodig. We hebben innovaties nodig, mensen die patenten aanvragen voor uitvindingen, mensen die doctoreren… Als je ziet hoe sterk men in de Aziatische landen inzet op onderwijs, dan is het een illusie om te denken dat Vlaanderen over 50 jaar nog een leidende kenniseconomie zal zijn.” Wat Duyck zegt, doet in bepaalde kringen van de onderwijswereld de tanden knarsen. En dat heeft alles te maken met de achterliggende vraag die zijn betoog opwerpt: heeft ons onderwijs de lat lager gelegd? Een vraag die zo mogelijk nóg gevoeliger ligt dan die over de niveaudaling. Maandag het antwoord.

MAANDAG DEEL 2: HEEFT ONS ONDERWIJS DE LAT LAGER GELEGD?

JEROEN BOSSAERT

(Verschenen in Het Laatste Nieuws, 1 september 2018, PDF)

Comments are closed.

Post Navigation