Gepensioneerd? Blijf bij de les

Maurice Grainger ziet dat veel leraren tegen hun grenzen botsen. Iedereen die over relevante ervaring beschikt, kan hun takenpakket verlichten door mentor te worden van leerlingen.

Sinds ik met pensioen ben, geef ik bijles aan sociaal kwetsbare leerlingen via Auxilia vzw, een vrijwilligersorganisatie. Malik is een van hen. Hij zit nu in het zesde jaar aso in een school in Antwerpen met veel leerlingen die thuis geen Nederlands spreken. In het begin heb ik hem vooral geholpen met wiskunde, maar ondertussen zijn z’n prestaties verbeterd en ben ik ook zijn mentor geworden. Behalve bijlessen heb ik hem advies gegeven over zijn studiemethode en heb ik hem gemotiveerd om harder te studeren met het oog op hoger onderwijs.

Mensen opleiden is altijd een bron van vreugde geweest tijdens mijn lange loopbaan als scheikundig

ingenieur. Gedurende meer dan veertig jaar heb ik het voorrecht gehad om, via opleidingen en als mentor, mijn kennis en ervaring door te geven aan mensen in diverse functies in een ­internationale, multiculturele en industriële omgeving. Met veel plezier heb ik bijvoorbeeld onderhoudstechnici, jongere ingenieurs en managers geholpen.

Nadat ik met pensioen was gegaan, wou ik opleidingen blijven geven. Ik kreeg de kans om gedurende één academiejaar als teaching fellow bij de University College London aan de slag te gaan. Daar heb ik ondervonden hoe belangrijk het is dat een opleiding jonge mensen constructief laat samenwerken over de grenzen heen. In een groep van docenten met weinig of geen bedrijfservaring leidde ik een cursus om een zeshonderdtal ingenieursstudenten van alle disciplines en nationaliteiten te leren samenwerken in teamverband in een realistische projectomgeving.

Na die ervaring besloot ik om vrijwillig als bijlesgever en mentor verder te gaan. Ik wil zo veel mogelijk mensen aanzetten om dit ook te doen, en om zo bij te dragen aan de toekomst van ons Vlaams onderwijs.

De lat halen

Cognitief psycholoog Wouter Duyck betreurde onlangs dat de beste leerlingen minder goed presteren, omdat er te veel aandacht gaat naar iedereen over de lat krijgen (DS 16 december 2017).

In scholen met een hoge migrantenpopulatie is kennis van het ­Nederlands inderdaad de eerste prioriteit, en terecht. De volgende prioriteit is erop toezien dat iedereen over de lat kan. Maar zoals Duyck stelt, worden sommige leerlingen daardoor niet uitgedaagd om het maximum uit zichzelf te halen. De leerkrachten moeten prioriteiten stellen en hebben niet genoeg tijd en middelen om de intelligentere leerlingen voor te bereiden op het hoger onderwijs.

Wat zou helpen, is dat alle mensen die wat vrije tijd hebben en over relevante professionele ervaring beschikken, die doorgeven aan jonge mensen. Gepensioneerden in het bijzonder kunnen mentor worden van tenminste één leerling. Dat kan bijvoorbeeld iemand in hun familie zijn, of een kansarme of sociaal kwetsbare leerling. Mentors zoals wij kunnen bijlessen geven, leerlingen helpen hun potentieel te ontdekken, advies geven over hogere studies en mogelijke beroepen, en hen motiveren om harder te studeren.

De leerkrachten kunnen maar zoveel doen in de tijd die ze hebben. Het is onredelijk om te eisen dat ze alles op hun schouders nemen en hen dan de schuld te geven als het niet allemaal lukt.

Kloof dichten

Hans Van Crombrugge stelde in deze krant dat elke leraar in de ‘echte wereld’ moet hebben gewerkt (DS 9 december 2017). Dat is in principe een prachtig idee. Maar het is misschien niet helemaal fair tegenover de vele talentvolle jonge leerkrachten die het Vlaamse onderwijs het best kunnen dienen door meteen na hun studies les te geven. Scholen kunnen beter een beroep doen op de bedrijfservaring van iets oudere mensen.

Veel mensen hebben in hun loopbaan anderen opgeleid, hetzij formeel of informeel, door collega’s uitleg te geven. Zij zijn geschikt om mentor of bijlesgever te worden in het aso, tso of bso. Zij kunnen ook de kloof helpen dichten tussen het ­bedrijfsleven en het onderwijs, waarover werkgeversorganisaties bezorgd zijn. Dit zou tevens een aanvulling vormen op de initiatieven van organisaties zoals Duo for a Job en Baanbrekers, die afgestudeerden helpen aan een eerste job.

De voorwaarde is wel dat we het onderwijs niet beschouwen als een producent van werknemers en dat we de bredere opvoedkundige aspecten niet verwaarlozen.

Maurice Grainger (verschenen in De Standaard, 18 januari 2018, PDF)

Comments are closed.

Post Navigation