‘Is ongelijkheid in het onderwijs wel een probleem?’

Wouter Duyck gooit al eens graag een knuppel in het hoenderhok dat het onderwijsdebat soms is. De Gentse psycholoog vindt dat we dringend meer moeten inzetten op de beste leerlingen van de klas. ‘Als we echt een kenniseconomie willen zijn, moeten we leerlingen hebben die excelleren.’

‘Ik ken scholen waar de slimste kinderen op woensdag stripverhalen moeten meebrengen. Terwijl zij lezen, wordt de rest verder onderwezen.’ Wouter Duyck, cognitief psycholoog aan de Universiteit Gent en sinds enkele jaren een van de luidste stemmen in het onderwijsdebat, vindt die anekdote illustratief voor wat er in ons onderwijs misloopt. Het gelijkheidsdenken is volgens hem doorgeschoten. De sterkste leerlingen én onze economie zouden daar de dupe van zijn. Hard en koud, of net noodzakelijk verfrissend? Duyck heeft er in elk geval goed over nagedacht.

Stel, meneer Duyck: u hebt drie kinderen en u weet dat er eentje wat moeilijker leert. Zou u als vader dan ook niet wat meer uw best doen voor dat zwakke kind?

Wouter Duyck: Het is natuurlijk sympathiek om te zeggen dat de zwaksten de meeste hulp moeten krijgen. Ik begrijp dat punt ook wel: we vinden het een vorm van rechtvaardigheid. Maar iedereen moet dit debat ook eens van de andere kant bekijken. Ik heb het er moeilijk mee dat we sterke kinderen hulp ontzeggen, omdat we bang zijn dat ze anders te ver vooruit zullen lopen. In het kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties staat dat alle landen moeten werken aan de optimale ontplooiingskansen van elk kind. Ook aan die van de sterkste, met andere woorden.

En zo werd u de expert die het altijd opneemt voor de slimste kindjes van de klas.

Duyck: Daarmee ben ik het niet eens. Maar het is wel belangrijk om hen te stimuleren.

Politici zeggen al jarenlang graag dat Vlaanderen een kenniseconomie is. Onze fabrieken zijn gesloten, onze steenkoolmijnen zijn nog maar heuvels in het landschap: we moeten het van onze hersenen hebben. Dan zal er af en toe toch iemand een doctoraat moeten schrijven, een patent aanvragen of een uitvinding aan een universiteit doen waar een spin-off van kan komen. Het is een illusie dat we onze welvaart op peil kunnen houden met alleen middelmatige talenten, we hebben jongeren nodig die excelleren.

Economen hebben het onderzocht en berekend: als je het IQ van de top van de bevolking met één punt kan doen toenemen, stijgt het bnp van een land per inwoner met 468 dollar. Ik denk dat veel politici blij zouden zijn met dat geld. Helaas, de beste leerlingen gaan er in Vlaanderen dramatisch op achteruit. ‘Die redden zich wel’, denken we. Maar dat is niet zo. Vijftien jaar geleden behoorde één op de drie van onze kinderen tot de Europese top. Nu is dat nog één op de vijf.

Is dat ook de reden waarom u Grieks en Latijn zo hevig verdedigt?

Duyck: Deels wel, ja. We weten dat aan kinderen in de Latijnse en de Griekse hogere verwachtingen worden gesteld, ook in de lessen Nederlands en aardrijkskunde. In veel andere klassen – ook in het aso – zijn leraren tegenwoordig tevreden met een zes op tien. De zesjescultuur, noem ik dat. Als leerlingen slagen voor hun examens en niet op de vuist gaan met hun klasgenoten, is het al goed. Dat is dramatisch, want de verwachtingen die je aan leerlingen stelt zijn bepalend voor hun resultaten.

Uit onderzoek van de OESO bleek vorig jaar dat Vlaamse leerlingen weinig ambitieus zijn.

Duyck: Dat is het grootste probleem van het onderwijs. Ik vind het onbegrijpelijk dat politici zich daar geen zorgen over maken.

De klassen Latijn en Grieks worden dan het elitekorps van de school.

Duyck: Inderdaad. Daar is niets mis mee. Het onderwijs moet elitair zijn – cognitief en intellectueel, in ieder geval. Maar niet sociaal elitair, waarbij alleen rijke kinderen in die klassen raken.

Waarom leert men die elite dan geen Duits of Arabisch, levende talen waar ze iets aan hebben?

Duyck: In principe kunnen andere talen hetzelfde effect hebben, maar het zou een gigantische flater zijn om Grieks en Latijn op te geven. Die vakken hebben al bewezen dat ze werken: nu onze topstudenten er al op achteruitgaan, kunnen we ze beter niet opgeven.

Er zijn ook experts die liever programmeerlessen of STEM-vakken (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde, nvdr.) zouden hebben. Op sommige scholen worden daar geweldige lessen over gegeven, op andere plaatsen is dat eerder toegepast knutselen. Het duurt een jaar of tien voor het onderwijssysteem goed lesmateriaal en handboeken klaar heeft, en ik vind sowieso niet dat we te veel vakken moet geven waar de industrie zogezegd om vraagt. Het onderwijs moet leerlingen voorbereiden op de jobs die over vijftig jaar nodig zijn, niet op wat de industrie nu wil.

‘Iemand die met ponskaarten kan werken, zal nooit zonder een job zitten’, heeft mijn grootvader eens gezegd. Dat klinkt nu lachwekkend. Ik ben een voorstander van het oude idee van een humaniora: kinderen mens helpen worden in de breedste zin van het woord. Het culturele argument voor Grieks en Latijn vind ik dus ook wel van tel. Onze beschaving komt ergens vandaan, en het is goed dat leerlingen daarover onderwijs krijgen.

Ook N-VA-politici als Geert Bourgeois verdedigen graag Latijn en Grieks. Moeten zij het niet ook eens opnemen voor richtingen als houtbewerking of kunst?

Duyck: Daar ga ik helemaal mee akkoord. In Wallonië krijgen alle leerlingen tot hun vijftiende binnenkort dezelfde vakken, dus iedereen krijgt ook twee uur per week Latijn. Dat getuigt eigenlijk van een immens dedain voor studenten die liever iets anders doen. Ook leerlingen die andere richtingen volgen, mogen we niet het idee geven dat een zes op tien voldoende is.

Het is ironisch dat uitgerekend de Antwerpse Modeacademie onlangs in het nieuws was omdat ze, onder leiding van Walter Van Beirendonck, veel te hoge eisen stelt aan haar studenten. Een directeur van een middelbare school die dat zou proberen, zou worden gekielhaald. Ik pleit ook niet voor zulke hoge eisen, maar iets meer ambitie mag wel.

Is dat niet iets waar de PISA-rankings toe aanzetten? De landen die daar het beste uitkomen, zoals Singapore, leveren ook de ongelukkigste kinderen af.

Duyck: In Singapore, Korea en ook delen van China worden kinderen uitgeperst als citroenen. Overigens: Finland, een land dat altijd als een te volgen voorbeeld wordt aangehaald, heeft ook de hoogste zelfmoordcijfers van de Europese Unie.

België bevindt zich helemaal aan de andere kant van de curve, qua prestatiedruk. Misschien is er wel een middenweg mogelijk. Een tijd geleden bleek uit onderzoek dat de leesvaardigheid van Vlaamse kinderen achteruitging. ‘Als ze maar gelukkig zijn’ was de titel boven een commentaarstuk dat opiniërend hoofdredacteur Bart Eeckhout daarover in De Morgen schreef. Ik word daar gek van. Het verband is omgekeerd! Er is, zelfs met extreme tegenvoorbeelden als Singapore en Korea, een positief verband tussen het motiveren van kinderen en hun welzijn. Maar dat dringt hier niet door.

Ik lees in de Vlaamse media almaar pleidooien om kinderen te ontstressen en de examens toch maar af te schaffen; het is haast vies om het voor hun intellectuele en cognitieve ontwikkeling op te nemen. Vreemd genoeg merk ik dat vooral bij hoogopgeleiden. Mijn hoogopgeleide vrienden vinden het niet zo erg als hun kinderen niet uitstekend presteren op school, terwijl mijn andere vrienden maar al te goed beseffen dat het belangrijk is dat hun kinderen hun best doen en kunnen voortstuderen.

Laten we het eens hebben over die leerlingen die het niet goed doen. Als het over onderwijsproblemen gaat, denkt iedereen tenslotte aan jongeren die afstuderen zonder diploma.

Duyck: Ook dat is vreemd, omdat de ongekwalificeerde uitstroom in Vlaanderen redelijk beperkt is. Hij bedraagt 7 procent, waarmee we het 30 tot 40 procent beter doen dan het gemiddelde van de OESO.

We zien wel dat ons onderwijs niet meer voor de sociale mobiliteit zorgt die er vroeger was. Ik ben als universiteitsprofessor een kind van een vader die maar tot zijn veertiende naar school is gegaan. Zulke verhalen zijn er nu veel minder.

Hoe kunnen we die kinderen nu nog helpen?

Duyck: Het gaat om een diverse groep, met zowel cognitief sterke als cognitief minder sterke kinderen. De cognitief sterke kinderen moeten we in de Latijnse weten te krijgen. Dat doe je door hen beter te begeleiden en te ondersteunen. Tegenwoordig gebeurt dat amper. En dan is men verbaasd dat klassenraden sociaal gedetermineerd zijn en zulke kinderen eerder een negatief dan een positief advies geven. Daarom moeten we hen vroeg genoeg testen. Als dan blijkt dat zij begaafder zijn dan hun leraren en hun ouders vaak denken, krijgen ze misschien meer kansen om verder te studeren.

Het omgekeerde geldt ook: als de zoon of dochter van een dokter minder begaafd uit zo’n test komt, moeten we hem of haar misschien adviseren om toch maar niet voor Latijn te kiezen.

U hebt net als de N-VA al wel eens gepleit voor het meten van het IQ van kinderen.

Duyck: Ik zou iets breder meten, naar de cognitieve vaardigheden. Het moet ook over analytische vaardigheden gaan, en over verbale sterkte.

Aan IQ hangt nog het taboe van de erfelijkheid en de genetica. Niemand mag hardop zeggen dat het deels erfelijk bepaald is, terwijl het in de psychologische wetenschap een evidentie is. We schatten dat 50 procent van iemands intelligentie erfelijk is; het onderwijs is er om die andere 50 procent zo goed mogelijk te ontwikkelen.

Wilt u kinderen dan niet te vroeg testen? De resultaten van zo’n test zullen een kind in een bepaalde richting sturen, nog voor het de kans krijgt om zich te herpakken en misschien wél nog grote ambities te ontwikkelen.

Duyck: Cognitieve vaardigheden zijn een sterkere voorspeller voor de leerprestaties dan alle andere factoren. En die vaardigheden zijn heel goed te testen. Uiteraard voorspellen ze niet alles. Er is ook een stuk maakbaarheid. Maar – hier komt mijn punt – die maakbaarheid zal net vergróten als je vroeg genoeg differentieert. Het heeft geen zin om teksten van Immanuel Kant voor te lezen aan een twaalfjarig kind waarvan de cognitieve vaardigheden minder ontwikkeld zijn. Zo’n kind maakt meer kans om positief te ontwikkelen als het onderwijs op zijn niveau krijgt. Hoe vroeger je hier kunt corrigeren, hoe groter de winst die je nog kunt boeken.

Doen we dat wel voldoende?

Duyck: Ja en nee. We besteden te weinig aandacht aan het opsporen van talent.

Tegelijk kun je niet ontkennen dat er in Vlaanderen, onder meer via de GOK-middelen, veel in gelijke kansen wordt geïnvesteerd. Daarachter zit een idealistisch idee dat volgens mij al te veel doorgeschoten is: elk kind moet hetzelfde kunnen. In de praktijk komt het erop neer dat ons onderwijs veel te lage verwachtingen aan leerlingen stelt. De sterke leerlingen zijn daar evengoed slachtoffer van als de zwakkere. Uit PISA-onderzoek weten we dat één school op de zeven een gemiddelde leerling aflevert die geen basisgeletterdheid heeft. Dan spreken we over scholen die massaal diploma’s uitreiken aan leerlingen die de eindtermen niet halen. Hun kansen op de arbeidsmarkt en op sociale mobiliteit zijn bijzonder klein. Het gaat niet om een papiertje, het gaat om hun hoofd.

Ongelijkheid in het onderwijs is een overschat probleem?

Duyck: Je kunt zelfs de vraag stellen in hoeverre het een probleem is. De beste manier om ongelijkheid weg te werken is niemand iets leren. In landen die goed presteren, zie je dat het verschil in prestatieniveau groter wordt. Dat is logisch: als het potentieel beter wordt ontwikkeld, groeien de verschillen. We moeten aanvaarden dat niet elk kind even slim is.

Uit een recente, door Unia bestelde studie bleek dat leerlingen uit de lagere sociaal-economische klasse veel gemakkelijker een B- of C-attest krijgen. Dat is een ontnuchterend cijfer, toch?

Duyck: Met permissie, maar die studie was waardeloos.

Er is in onderzocht of er een verband is tussen de afkomst van een leerling en het geleverde studieadvies, zonder daarbij rekening te houden met de schoolresultaten van die leerling. (rolt met zijn ogen) Als een masterstudent die studie bij mij als thesis had ingediend, had ik hem gebuisd .

We hebben het nog niet gehad over de taalachterstand van veel kinderen van vreemde origine. Is dat niet een van de grootste problemen in Vlaanderen?

Duyck: De kloof tussen de leerprestaties van autochtonen en allochtonen is groot, ja. En ze is hier ook groter dan in andere landen. Op het vlak van cognitieve ontwikkeling liggen leerlingen van vreemde origine gemiddeld twee jaar achter. Een belangrijke factor blijkt de thuistaal te zijn. Allochtone leerlingen die opgroeien in een gezin waar geen Nederlands gesproken wordt, hebben een jaar achterstand op allochtone leerlingen die thuis Nederlands spreken. Anders gezegd: je zou de kloof al voor de helft kunnen dichten als je de thuistaal zou kunnen veranderen.

Misschien wel de gemakkelijkste hefboom om het probleem te verkleinen is kleuteronderwijs. Hoe vroeger je eraan begint, hoe groter het rendement van de inspanning. Daarom ben ik een grote voorstander van leerplicht vanaf tweeënhalf jaar. In Antwerpen stuurt 15 procent van de anderstalige ouders – ondertussen ongeveer de helft van de hele stad – zijn kinderen niet naar de kleuterschool. Dat leidt tot kinderen die nauwelijks Nederlands kunnen als ze zes zijn. Hoe kunnen ze daarna fatsoenlijk leren lezen en rekenen?

De Antwerpse burgemeester Bart De Wever (N-VA) stelde het voorbije weekend voor om het leefloon te korten van ouders die hun kinderen niet naar de kleuterschool sturen. Vindt u dat een goed idee?

Duyck: We moeten dat proberen, ja. Het is een van de weinige beslissingen die een stadsbestuur kan nemen om die kinderen in de kleuterklas te krijgen. De leerplicht is nu eenmaal wat ze is, en die ligt op zes jaar.

Armoede-experts als Wim Van Lancker zijn sceptisch: zo’n straf zal niet helpen, het zijn andere redenen die ouders hun kinderen thuis doen houden.

Duyck: Ik ben niet zo pessimistisch. Een financiële sanctie lijkt me in ieder geval een dwingender aansporing dan de leerplicht.

Wie het onderwijsdebat vanaf een afstand volgt, krijgt de indruk dat waarheid hier relatief is. Onderzoek levert vaak zeer verschillende resultaten op, wat de experts net als politici toestaat om de resultaten te kiezen die het beste in hun visie passen.

Duyck: Dat is een absurde stelling. Er bestaat ook nog zoiets als wetenschappelijke kwaliteit, en die had de door Unia bestelde studie bijvoorbeeld duidelijk niet.

Wat is eigenlijk precies de bijdrage van een cognitief psycholoog aan het onderwijsdebat?

Duyck: Die vraag krijg ik vaak, maar ik heb ze altijd wat vreemd gevonden. Onderwijs gaat over leren, en dat gebeurt in de hersenen. In het buitenland is het vanzelfsprekend om bij dat debat cognitief psychologen te betrekken, en in de jaren zestig en zeventig was het dat ook in Vlaanderen: wij zijn bezig met het geheugen, taalverwerving, redeneren en dat soort onderwerpen. Gaandeweg is dat hier veranderd. Het ministerie van Onderwijs werd het ministerie van Onderwijs en Gelijke Kansen. Alleen sociologen en ook pedagogen raakten met hun visie nog tot bij politici of in de media. Voor sociologen gaat het over maatschappelijke structuren, voor pedagogen over het opvoeden van kinderen tot burgers. Cognitieve psychologen zijn alleen geïnteresseerd in hoe leerlingen iets aangeleerd kan worden.

Dat verschil viel mij op toen toenmalig onderwijsminister Pascal Smet (SP.A) voor het eerst een brede eerste graad in het middelbaar onderwijs voorstelde. Sociologen als Ides Nicaise en Mieke Van Houtte waren daar enthousiast over. Maar het vloekte met alles wat ik erover had gelezen. Het is toch logisch dat je kinderen die hetzelfde niveau hebben sneller iets kunt aanleren dan wanneer ze heel erg verschillen?

Die sociologen verzinnen het onderzoek waarop zij zich baseren natuurlijk niet.

Duyck: Ik ben me in hun onderzoek beginnen te verdiepen, en zag ook wel dat zij hun redenen hadden. Zo’n brede eerste graad zorgt voor een betere sociale mix. Dat is een legitieme bezorgdheid. Het is dan aan politici om de keuze te maken: wat vinden zij het belangrijkst? Maar die sociologen ontkenden vaak mijn kant van het verhaal.

In Finland, een land dat vaak als voorbeeld wordt aangehaald, werkt zo’n brede eerste graad uitstekend.

Duyck: Ik durf te betwijfelen dat het Finse onderwijssysteem goed werkt. In de internationale rankings gaat dat land ongelooflijk achteruit.

Finland valt ook absoluut niet met Vlaanderen te vergelijken: de diversiteit van de klassen is er veel kleiner, zij hebben nooit dezelfde migratie gekend als wij. Finland is een goed voorbeeld van de manier waarop politici en experts soms in het buitenland gaan shoppen, op zoek naar ideetjes die ze hier klakkeloos denken te kunnen kopiëren. Het is ook een vorm van cherrypicking: ‘Mijn grootvader rookte en is honderd jaar geworden, dus met roken is niets mis.’

Een brede eerste graad is een slecht idee. Het vso heeft dat in Vlaanderen al bewezen. In Wallonië gaan ze het, zoals gezegd, nu ook weer proberen. Dat wordt een ramp. Kinderen van hoopopgeleide ouders gaan elke zaterdag langs de bibliotheek, of worden vaak thuis nog eens overhoord. Wie die luxe niet heeft, gaat er het sterkst op achteruit in zo’n eerste graad waar iedereen samen zit. Het stoort mij dat politici dat niet willen erkennen.

We moeten nog praten over de kwaliteit van ons onderwijzend personeel. In Finland worden zwaardere eisen gesteld, en moet elke leraar slagen voor een toelatingsexamen. Moet ook bij ons de lat niet hoger liggen?

Duyck: Absoluut. De kwaliteit van de leraren lijkt me, na de gebrekkige ambitie, een van de belangrijkste problemen van ons onderwijs. Bijna de helft van de leraren in de basisschool heeft een tso-opleiding: dat is absurd, want tso is als praktisch uitvoerend onderwijs bedoeld.

In de middelbare school is het probleem niet minder groot: amper zes op de tien leraren heeft de juiste universitaire opleiding om zijn vak te geven én een lerarendiploma. 13 procent van de leraren heeft geen van beide, in Brussel is dat zelfs 25 procent. Ik vind dat onwaarschijnlijk. Wat we daarom dringend nodig hebben is een loopbaanpact.

Er wordt gefluisterd dat N-VA-boegbeeld Theo Francken, pedagoog van opleiding, zich klaarstoomt om de volgende minister van Onderwijs te worden. Zou u dat toejuichen?

Duyck: Mag ik hier passen? (lacht)

Dezelfde Theo Francken droomt ervan ooit een eliteschool op te richten. Dat lijkt ons ook wel iets voor u.

Duyck: Zoals ik inderdaad zei: van mij mag ons onderwijs best wat elitairder zijn.

Moeten niet álle scholen elitescholen zijn?

Duyck: Zeker. Maar ik heb Francken niet horen zeggen dat die school van hem per se een aso-school moet zijn. Misschien droomt hij wel van een elitaire tso-school? (lacht hard)

Door Peter Casteels en Jeroen de Preter & foto’s Eric de Mildt

(verschenen in Knack, 9 mei 2018, PDF)

Comments are closed.

Post Navigation